Callas, Maria (1923-1977)

maria-callasMaria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos (Grieks: Μαρία Άννα Σοφία Καικιλία Καλογεροπούλου), beter bekend onder haar artiestennaam Maria Callas (Grieks: Μαρία Κάλλας) (Brooklyn (New York), 2 december 1923 – Parijs, 16 september 1977) was één van de beroemdste operazangeressen van na de Tweede Wereldoorlog.

Maria Kalogeropoulos werd geboren in New York. De achternaam Kalogeropoulos werd eerst ingekort tot “Kalos” (wat ook op haar geboortecertificaat staat dat onlangs is teruggevonden), hetgeen later werd vervormd tot “Callas”. De jonge Maria reisde in 1937 met haar moeder mee terug naar Griekenland en kreeg daar haar eerste zangopleiding in Athene. Hoewel ze voor het Atheens Conservatorium niet werd aangenomen kon ze aan het werk bij het Grieks Nationaal Conservatorium. Ze was in die tijd mollig en droeg een bril met dikke glazen. Haar eerste zangpedagoge Maria Trivella besloot dat ze geen alt, maar een dramatische sopraan was. Callas werkte zeer hard en boekte snel vorderingen. Op 11 april 1938 gaf ze haar eerste openbare optreden, met een stukje uit Tosca. In 1939 ging ze alsnog aan het Atheens conservatorium studeren, onder Elvira de Hidalgo. In 1942 zong ze de hoofdrol in Tosca. Binnen tien jaar zou ze bekend staan onder de bijnaam la divina – de goddelijke.

In 1949 trouwde ze met Giovanni Battista Meneghini, een oudere rijke industrieel uit Milaan. Het huwelijk duurde tot 1959. In haar jonge jaren was ze nog steeds erg mollig; tussen 1953 en 1954 verloor ze echter ongeveer 36 kilo en kreeg ze het slanke postuur van haar latere jaren.

Lees verder »

Tags : , , , , , , ,
Geplaatst op 05 februari 2010 - 0 reacties op dit artikel.

Diva’s

ABC

diva'sDe term “diva” was oorspronkelijk een Italiaans woord dat “godin” betekende. In de Italiaanse operacultuur, werd het woord gebruikt om een sterfelijke vrouwelijke goddelijkheid aan te duiden: een soprano met een uitzonderlijke muzikale virtuositeit en met een grandioze flair, een zangeres die met haar opvoeringen de emoties van haar publiek raakte en die vaak fanatiek en obsessief werd bewonderd door haar fans.

In de twintigste eeuw, vooral dan in de Verenigde Staten, werd de term “diva” ook gebruikt voor populaire zangeressen, bijvoorbeeld Judy Garland (1922-1969), Billie Holliday (1915-1959) of Dusty Springfield (1939-1999). Hun vermogen om in te spelen op de gevoelens van hun publiek en hun persoonlijke tragedies maakten dat ze bewonderd werden door hun fans die zich ook identificeerden met de sterren.

Meer recent werd de term “diva” minder belangrijk omdat deze nu gebruikt wordt voor bijna elke vrouwelijke ster die haar emoties toont of die het te bont maakt.

Toch heeft de diva altijd een belangrijke rol gespeeld in de holebi-cultuur als onderwerp van cult-verering. Zij die lijden onder de pijn van verboden liefde en een maatschappij die hen niet wilt aanvaarden, herkennen zich in die persoon en vinden er soelaas bij. Op die manier is de diva voor haar holebi-fans een sterfelijke goddelijkheid.

Operadiva’s

Opera heeft lang een zekere aantrekkingskracht gehad op holebi’s en dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat opera altijd een ruimte creëerde waarin de grenzen van geslacht, gender en seksualiteit vaak vervaagden.

De castrati, dat zijn gecastreerde zangers die zegevierden in de achttiende eeuw en die ook hun eigen groepen fans hadden, speelden heroïsche mannenrollen én vrouwenrollen op plaatsen waar vrouwen vaak niet op de planken mochten komen.

In hun kielzog begonnen vrouwelijke mezzo-soprano’s en contralto’s in de negentiende en begin de twintigste eeuw mannenrollen te spelen in opera’s. Daardoor creëerde de opera een respectabele plaats waar holebi’s zich konden goed voelen.

Toch was de verafgoding van diva’s oorspronkelijk geen holebi-uitvinding. Tegen de negentiende eeuw waren er verschillende prima donna’s met hun eigen groepen van devote fans, gelijkaardig aan de fans van de hedendaagse film- en muzieksterren. Het beeld van de diva als een flamboyante, extravagante en temperamentvolle sterke vrouw begon zich te vormen.

Maria Malibran lonkte allerlei gevoelens los bij haar fans

Maria Malibran lonkte allerlei gevoelens los bij haar fans

Maria Malibran (1808-1836), haar zus Pauline Viardot (1821-1910), Giula Grisi (1811-1869) en Jenny Lind (1820-1887) lokten allen overweldigende emoties los bij hun fans, van welke seksuele geaardheid of achtergrond ook. Deze universele aantrekkingskracht had waarschijnlijk veel te maken met het feit dat opera een populaire kunstvorm was in de negentiende eeuw.

Toen de twintigste eeuw zich aandiende, kwamen er andere vormen van vermaak en werd de verafgoding van diva’s steeds meer een kenmerk van de holebi-cultuur. Vele belangrijke diva’s uit die tijd werden verondersteld zelf lesbisch of biseksueel te zijn.

De verafgoding van diva’s door lesbiennes

Zelfs nog voor de komst van de Hollywood-filmsterren, was de theatrale prima donna vaak het idool van bewonderende vrouwelijke fans. In de vroege twintigste eeuw was veel van deze homo-erotische ophemeling gericht naar twee figuren: de Zweedse soprano Olive Fremstad (1871) en de Schotse soprano Mary Garden (1874-1967). Beiden waren vrouwen met een dubbelzinnige seksualiteit die waren gespecialiseerd in het vertolken van provocatieve, geslachtsonduidelijke rollen.

Olive Fremstad was het best bekend om haar Wagneriaanse heldinnen en haar verleidsters (Brunnhilde, Kundry, Ortrud, Venus) en voor haar rollen in Carmen, Tosca en Salome. Na haar terugkeer naar de Verenigde Staten in 1903 werd ze één van de grootste sterren in de Metropolitan Opera, waar ze in 1907 te zien was in het “schandaalstuk” Salome, een opera gebaseerd op het decadente toneelstuk van Oscar Wilde.

Mary Garden stond geboekstaafd omwille van haar doortastende stijl en ze was de belangrijkste vertolkster van veel immorele vrouwelijke rollen van de Franse opera. Ze speelde ondermeer de hoofdrollen in “Louise” van Gustave Charpentier, “Pelléas et Mélisande” van Claude Debussy en “Manon”, “Thaïs”, “Sapho” en “Cléopâtre” van Jules Massenet.

Mary Garden werd gevierd omwille van haar mannenrollen. In 1907 maakte ze haar Amerikaanse debuut en van 1910 tot haar pensioen in de jaren 1930 was ze de belangrijkste soprano in de opera van Chicago.

Geen van beiden trouwde ooit en hun geaardheid was vaak het onderwerp van roddels. Olive Fremstad leefde een aantal jaren samen met haar secretaresse Mary Watkins Cushing. Hun relatie werd geromantiseerd in “Of Lena Geyer” van Marcia Davenport uit 1936. Een meer heroïsch portret van haar werd gemaakt in “The Song of the Lark” uit 1915 door Willa Cather, een lesbische operafan. Van Mary Garden werd er gefluisterd dat ze een lesbienne was.

Het blijft gissen over de geaardheid van deze vrouwen. Wat wel van betekenis is, is de rol die deze vrouwen speelden bij hun vooral vrouwelijk publiek omwille van hun lesbo-erotische opvoeringen.

De verafgoding van diva’s door lesbiennes was bijna steeds gericht op zangeressen die zich hadden gespecialiseerd in het vertolken van heroïsche of geslachtsonduidelijke rollen. Meer recente operadiva’s die vooral geliefd werden door lesbiennes zijn Brigitte Fassbaender, Tatiana Troyanos en Jessye Norman.

De verafgoding van diva’s door homo’s

Het is misschien te veralgemenend om te stellen dat in tegenstelling tot verafgoding van diva’s die door lesbiennes gebaseerd was op lust, de verafgoding van de homo’s gebaseerd is op hun zelfidentificatie met de diva’s. In de holebi-cultuur zijn de grenzen tussen zelf-identificatie en lust vaak vaag.

In tegenstelling tot de verafgoding door lesbiennes, hebben de homo’s zich steeds gefocust op meer kwetsbare figuren, die je zou kunnen omschrijven als “tragedie koninginnen”. Bewijs hiervan is de blijvende verafgoding van de homo’s voor Maria Callas (1923-1977), die bij haar fans bekend is als “la Divina”.

Zij was zonder twijfel één van de meest opmerkelijke zingende actrices van de twintigste eeuw en ze was gespecialiseerd in het vertolken van onfortuinlijke en emotioneel fragiele vrouwenrollen. De tragedies die ze vertolkte, maakte ze ook mee in haar persoonlijke turbulente leven, met haar veelbeschreven romantische relaties, haar liefdesbreuken en uiteindelijk het verlies van haar stem.

Deze verafgoding van Callas had te maken met een complex systeem van psychische associaties, die voortkwam uit het homoleven, met dan vooral de sociale marginalisatie. Verder hebben minderheidsgroepen de neiging om een bepaalde nood te hebben aan cult-iconen waarmee ze zich kunnen identificeren als een antwoord op hun eigen uitsluiting uit “de gewone maatschappij”.

Een andere uitleg is dat homo’s, die maar al te vaak door de maatschappij verworpen worden, zich aangetrokken voelen tot diva’s omdat deze buitengewone figuren een catharsis belichamen, of het nu op het toneel is of in hun privé-leven, van al de pijn, vernederingen en het lijden dat bijna een onvermijdelijke grote rol speelt in het leven van de homo’s.

De uitbreiding van de diva-cultus

Na de Tweede Wereldoorlog werden niet enkel vrouwen uit de opera diva’s, maar ook vrouwen uit de populaire muziek. Holliday, Garland en Springfield bijvoorbeeld lokten ook grote emoties los bij hun optredens, hadden ook problemen in hun privé-levens, werden misbruikt en stierven veel te jong… zij hadden allemaal een grote schare aan homo-volgelingen. Dusty Springfield, zelf een lesbienne, had ook een grote groep van lesbische volgelingen.

De titel “diva” heeft veel van zijn betekenis verloren in de recente jaren en dat is voor het overgrote deel te wijten aan de massamedia. De houding van een zangeres is veel belangrijker geworden dan haar virtuositeit. Heel wat jonge popzangeressen noemen zichzelf een diva. Het lijkt er zelfs op dat men zelfs geen vrouw meer moet zijn, laat staan een zangeres, om zichzelf een diva te noemen.

Dat wil niet zeggen dat er geen diva’s meer zijn die deze titel verdienen. Enkele grote diva’s onder de moderne operazangeressen zijn Renée Fleming, Deborah Voight, Lorraine Hunt Lieberson, Kathleen Battle, Susan Graham en Jane Eaglen. En er zijn ook grote popdiva’s, waaronder Barbra Streisand, Dolly Parton, Bette Midler, Cher, Celine Dion en natuurlijk Madonna, waarvan vele een grote groep holebi-fans hebben.

Zolang holebi’s gediscrimineerd worden, zullen ze diva’s nodig hebben, een kathartische figuur die hun vreugde en pijn belichaamt.

Bette Davis – Miss Bette Davis

bette-davis-miss-bette-davisDeze cd is een aanrader voor iedereen die graag eens iets anders wil. Niemand met een ‘normale’ smaak of interesse zou ooit tijd besteden aan dit album… jammer voor hen! Want deze “Miss Bette Davis” is goddelijk!

Bette is natuurlijk geen Maria Callas wat betreft zangtalent, maar wie is dat wel? Aanvaard haar beperkingen achter de microfoon en geniet van de manier waarop ze elk liedje een persoonlijke toets geeft.

Hoogtepunt is “Wrong”, het spookachtige Max Steiner-lied uit “Now, Voyager”. Alleen al dit lied is de prijs van de cd waard. Bette geeft het een ademloze kwaliteit en de pathos van Marlene Dietrich.

Wie gek is van Bette Davis (en dus goede smaak heeft) zal dol zijn op deze rariteit.

Tracklist

1. Ouverture/They’re Either Too Young or Too Old
2. Life Is A Lonely Thing
3. Untill It’s Time For You To Go
4. Growing Older, Feeling Younger
5. It Can’t Be Wrong
6. I´ve Written A Letter To Daddy
7. Loneliness
8. Mother Of The Bride
9. Hush… Hush, Sweet Charlotte
10. As Margo Channing
11. I Wish You Love

Tags : , , , , ,
Geplaatst op 21 juli 2009 - 0 reacties op dit artikel.