“Er komen meer mensen voor hun geaardheid uit: vroeger noemde één of drie procent van de bevolking zich homoseksueel, vandaag zitten de statistieken aan het realistischere acht procent. Dat wijst op een bredere maatschappelijke aanvaarding”. De uitspraak in de krant De Standaard komt van Alexis Dewaele, verbonden aan de faculteit Psychologie van de UGent.
“Met de anti-discriminatiewet, het homohuwelijk en de adoptiewet liep de overheid een tijdlang voor op de houding van de bevolking. En we zien dat die gevolgd is. Het algemene beeld van holebi’s is ook veranderd: kwamen we vroeger in het nieuws met aids, dan hebben populaire soaps nu regelmatig holebipersonages”, aldus Alexis Dewaele.
Rolmodellen vervullen een belangrijke symbolische en maatschappelijke functie, meent Dewaele. Maar voor het individu is het vooral de directe omgeving die een rol speelt bij het doen van een coming-out. “Bij jongeren merken we dat ze hun coming-out in gradaties doen. Je tast in je omgeving af wat haalbaar is, je zendt signalen uit en ziet wat de reactie is. Het verloop van een coming-out blijf je ook meedragen: als de ouders het er moeilijk mee hebben, zullen ook de jongeren zelf het er moeilijk mee blijven hebben”.
“Het rare aan holebi’s”, zegt Yves Aerts, directeur van Cavaria, “is dat wij een minderheid zijn die je niet ziet. Een handicap of een huidskleur zie je, geaardheid kan verborgen blijven. Vroeger waren homoseksuele BV’s onze enige zichtbaarheid. Dat is veranderd. Door de openstelling van het huwelijk heeft elke gemeente al eens een pasgetrouwd homokoppel uit het gemeentehuis zien komen”.