Op het hoogtepunt van zijn carrière was Errol Flynn het kloppende hart van filmfanaten wereldwijd. Flynn, die knap, atletisch, bevallig en charismatisch was, leek de verpersoonlijking van Robin Hood en de andere figuren die hij op het scherm vertolkte. Een geruchtmakende zaak over seksueel contact met een minderjarig meisje in 1942 tastte zijn publieke imago aan en ontsluierde minder mooie kwaliteiten dan de kwaliteiten die hij tot dan toe tot uitdrukking bracht in zijn films. In zijn laatste jaren speelde Flynn psychologisch ingewikkelde personages, die bepaalde aspecten van zijn personaliteit uitdrukten die niet vanzelfsprekend waren in de melodramatische rollen waarvoor hij het bekendst was.
Flynn straalde seksuele energie uit. Hij verklaarde eens veelbetekenend in een bekend interview in 1950 dat hij zou willen dat de volgende zin op zijn grafsteen gekerfd zou zijn: “If It Moved, Flynn Fucked It” (Als het Bewoog, dan Neukte Flynn het). Deze bewering zou beschouwd kunnen worden als een bevestiging van de voortdurende en alom verspreide geruchten dat hij graag seks had met zowel mannen als vrouwen. In de passende titel, die pas na zijn dood gepubliceerd werd maar onbetrouwbaar was, “My Wicked, Wicked Ways” (1959), nam Flynn heel wat details op van zijn ontelbare seksuele veroveringen van vrouwen. Hoewel hij er de nadruk op legde dat hij graag feestjes bouwde met zijn mannelijke kameraden, gaf hij nooit aan dat hun interacties seksueel getint waren.
In zijn autobiografie erkende Flynn echter wel – zonder het te bevestigen – de geruchten over zijn seksuele handelingen met mannen toen hij opmerkte dat vele van zijn vrouwelijke medespelers dachten dat hij een “faggot” (homo) was, omdat zijn beleefdheid opgevat werd als een emotionele afstandelijkheid. Deze uitleg voor de geruchten is absoluut niet overtuigend aangezien Flynn bekend stond voor zijn gedrag op de set van zijn films dat nauwelijks beschouwd kon worden als beleefd of emotioneel afstandelijk.
Biografen van Flynn, alsook andere waarnemers uit Hollywood, beweerden dat Flynn seksuele (al dan niet romantische) uitspattingen had met Tyrone Power en vele andere, minder bekende acteurs tijdens zijn Hollywood jaren. De meest treffende beweringen van Flynns’ zogenaamde biseksualiteit werden aangevoerd door de controversiële biografen Charles Higham en David Bret. Hoewel Highams’ sensationele aantijgingen dat Flynn een Nazi spion was sterk in twijfel getrokken werden, werd zijn beschrijving van Flynns’ seksleven, die vele fans van de acteurs woedend maakte, dat niet. Bret, die op empatische wijze de aantijgingen over Flynn die een spion zou zijn verwierp, bevestigde Highams’ verhaal over de zogenaamde biseksualiteit van de acteur door meer informatie te verschaffen over zijn seksuele escapades met andere mannen. Bovendien hield Flynns’ eerste vrouw, Lili Damita, vol in 1994 dat Flynn seksuele ontmoetingen had met mannen, en haar beweringen werden bevestigd door sommige van Flynns’ partners in Hollywood, waaronder Marlene Dietrich.
Andere naaste vrienden en familieleden – waaronder acteur David Niven, zijn kamergenoot gedurende zijn beginjaren in Hollywood; zijn tweede vrouw Nora Eddington; en zijn derde vrouw en weduwe Patricia Wymore – hebben op empatische wijze ontkend dat Flynn biseksueel of homoseksueel zou zijn. Wat eerder verontrustend is, is dat vele van Flynns’ fans de mogelijkheid dat de acteur biseksueel was botweg van de hand wezen omdat ze dachten dat zulke aantijgingen de reputatie van hun held besmeurden of omdat ze op een wat naïeve manier geloofden dat de duidelijk aangetoonde heteroseksuele activiteiten enige mogelijke belangstelling in homoseksueel geflirt uitsloten.
Ondanks zulke bezwaren, kan het indrukwekkend lijken dat Flynn, bij het vertellen van een bezoek aan een bordeel in Marrakech, beweerde dat hij aanvankelijk geschokt was toen hij ontdekte dat de vestiging in feite een mannenbordeel was; maar, zoals hij zei, besefte hij al snel dat iedereen recht heeft op het plezier dat hem of haar het beste uitkomt, en hij moedigde zijn lezers aan om terug te denken aan de pracht en praal van het oude Griekenland, waar homoseksualiteit aanvaard werd. De anekdote onthult niets definitiefs over Flynns’ eigen seksuele interesse, maar het pleidooi voor tolerantie, in combinatie met de vrijpostige vermelding van de glorie van het oude Griekenland, is betekenisvol want het vormt een uitdaging in een tijdperk van seksuele onderdrukking zoals die alom tegenwoordig was in de jaren 1950.
Er bestond geen twijfel over dat Flynn een verslaafde rokkenjager was. Naar alle waarschijnlijkheid had hij ook af en toe seksuele betrekkingen met mannen. Er bestaat echter geen concreet bewijs dat Flynns’ verhoudingen met mannen onmiskenbaar kan staven, maar dat is niet erg verrassend. In een tijdperk waarin homoseksuele daden illegaal waren in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, en het minste vermoeden van homoseksualiteit een carrière kon vernielen, zou zulke informatie zeker niet bewaard worden. Rekening houdend met de tijd waarin hij leefde, zou Flynn zichzelf wellicht niet als biseksueel beschouwd hebben. Zijn overdreven seksuele lusten, en zijn welwillendheid om alle soorten seksuele grenzen te overschrijden, vergroten de waarschijnlijkheid dat de wijdverspreide geruchten van zijn seksuele betrekkingen met mannen in feite een gegronde basis hadden.
Achtergrond en begin van zijn carrière
Flynn werd geboren op 20 juni 1909 in Hobart, Tasmanië in Australië. Zijn vader, Theodore Thomson Flynn, een docent aan de Universiteit van Tasmanië, had al internationale erkenning verkregen voor zijn onderzoek in maritieme biologie. Zijn moeder, Lily Mary Flynn, was een afstammeling van Fletcher Christian (leider van de Bounty Mutiny), die Errol zou afbeelden in zijn eerste filmrol. Al op zeer jonge leeftijd gaf Errol blijk van uitzonderlijke atletische bekwaamheid, maar hij stak veel energie en tijd in zijn soms gemene streken met kinderen en volwassenen. Hierdoor werd hij – ondanks zijn vaders’ uitmuntendheid – weggestuurd uit verscheidene scholen in Australië en Engeland.
Nadat hij in augustus 1926 weggestuurd werd van een prestigieus atheneum in Sydney, werkte hij tot september 1927 in een importexportbedrijf, waar hij ontslagen werd toen bleek dat hij geld geleend had uit de kleine kas. Flynn trachtte zichzelf te onderhouden door een tijdje als semiprofessionele boxer te werken, maar in september 1928 trok hij naar Guinee in de hoop er een fortuin te vinden door op zoek te gaan naar goud. Hoewel zijn concessie maar weinig goud opleverde, bleef hij toch in Guinee voor bijna vier jaar, waarbij hij allerhande legale en illegale activiteiten uitprobeerde, zoals een opleiding als een cadet patrouilleofficier, het groeien van tabak, en zelfs zakendoen in de slavenhandel. Terwijl hij in Guinee verbleef, liep hij malaria op, en deze plaag zou hem voor de rest van zijn leven blijven kwellen.
Tijdens een bezoek aan Sydney in 1929 kochten hij en een paar vrienden een vijftig jaar oude jacht, de Sirocco. Ondanks hun gebrek aan ervaring, besloten ze om er 3000 mijlen mee te reizen richting Guinee; hun avonturen vormden de basis van Flynns’ roman “Beam Ends” (1937).
In 1930 nam Dr. Hermann F. Erben, een medisch onderzoeker in tropische ziekten en een avonturier, Flynn aan om de Sepik River te bevaren om zo een documentair filmverslag te maken over die delen van het binnenland van Guinee die nog grotendeels niet verkend waren door Europeanen. Flynn verscheen af en toe in de film als de kapitein van de Sirocco. Filmregisseur Charles Chauvel, die onder de indruk was van Flynns’ opvallende optreden, bood hem in 1932 de rol van Fletcher Christian aan in de eerste Australische geluidspeelfilm, “In the Wake of the Bounty” (1933), over de geschiedenis van Pitcairn Island.
Geboeid door deze ervaring, nam Flynn zich voor een carrière te ontwikkelen als professioneel acteur in Groot-Brittannië. In 1933, in gezelschap van Erben, bracht hij verscheidene maanden al reizend door richting Europa, langs de Filippijnen, Azië, en Noord-Afrika. Aangezien hij geen werk vond in filmstudio’s in Londen, aanvaardde hij een functie aan de Northampton Repertory Company, waar hij van december 1933 tot juni 1934 werkte. Hij speelde er heel wat verschillende rollen en breidde zo zijn talenten als acteur uit.
Tegen de winter van 1934 werkte Flynn als figurant bij Warner Brothers’ Teddington Studios in Londen. Irving Asher, het hoofd van Warner in Groot-Brittannië, was onder de indruk van zijn knap uiterlijk en charme, en bood hem de hoofdrol aan in “Murder at Monte Carlo” (1935). Overtuigd door Thrasher bekeek Jack Warner een kopie van de film en bood Flynn onmiddellijk een contract van zes maanden aan bij de Amerikaanse studio. Aan boord van het schip op weg naar New York ontmoette Flynn Lila Damita (1905-1994), een Franse filmster die toen werkte onder een verlengd contract voor Warner Brothers. Ze begonnen een intense maar stormachtige relatie en huwden op 19 juni 1935.
Aanvankelijk had Flynn het moeilijk om opdrachten te verkrijgen bij Warner Brothers. Zijn eerste Amerikaanse optreden was als een lijk in de film van Perry Mason,“The Case of the Curious Bride” (1935). In “Don’t Bet on Blondes” (1935), trad hij ongeveer vijf minuten op als een gezelschapsjongen.
Succes in Hollywood, 1935-1942
Flynn brak echt goed door in mei 1935 toen hij de hoofdrol aangeboden kregen in “Captain Blood”, dat vanaf het begin gezien werd als een grootse productie, gebaseerd op een roman van Rafael Sabatini (1922), en dat in een zeer succesvolle stomme film vertolkt werd in 1924.
Nadat de onderhandelingen met de geprefereerde hoofdrolspelers Robert Donat, Leslie Howard, en Clark Gable op niets uitdraaiden, organiseerde Warner Brothers een uitgebreide talentenjacht tussen de contractuele acteurs. Vanaf hun eerste blik op de proefopname die gemaakt werd van Flynn (die in beschouwing genomen werd voor een kleine rol), waren zowel de studiodirecteur Jack Warner als de regisseur Hal Wallis het erover eens dat hij het perfecte voorbeeld was van de mannelijke doch levenslustige avonturier. De vrouwelijke hoofdrol, die aanvankelijk bedoeld was voor Bette Davis, werd uiteindelijk gegeven aan een nog vrijwel onbekende actrice, Olivia de Haviland, die samen met Flynn zou optreden in zeven andere films.
“Captain Blood”, dat verscheen in december 1935, bevestigde Flynn als een grote ster. Flynn, die putte uit zijn eigen ervaringen als avonturier, was in staat om leven te blazen in het beeld van de stoere avonturier. Hij deed bijna al zijn stunts zelf, en toonde zo kracht, kundigheid, en gratie in het schermen en andere atletische bezigheden.
Als Peter Blood speelde Flynn een zeventiende-eeuwse Engelse dokter die verkeerdelijk beticht werd van verraad. Hij werd naar Jamaica gestuurd, en werd daar verkocht als slaaf op een plantage die gerund werd door de oom van Olivia de Haviland. Blood, die een succesvolle opstand leidde, werd de kapitein van een piratenschip dat door andere vroegere slaven bemand werd. Na een reeks avonturen levert Blood waardevolle diensten aan de Britse kroon; hij wordt hiervoor beloond met het gouverneurschap van Jamaica, waar hij zijn residentie betreedt met zijn nieuwe bruid (Olivia de Haviland, uiteraard).
Het verhaal van een onjuist veroordeelde held die zichzelf vrijkoopt met onbaatzuchtige daden is het soort verhaal dat herhaald zal worden in vele van Flynns’ films, in een steeds verschillende historische en eigentijdse context, waaronder het Middeleeuwse Engeland, het negentiende-eeuwse India, de westelijke grenzen, de eigentijdse Amerikaanse kleine steden, en verscheidene slagvelden in Wereldoorlog II.
Volgens Bret en sommige andere biografen had Flynn een verhouding met de bijfiguur Ross Alexander (1908-1937) tijdens de verfilming van Captain Blood. Speculatie over hun mogelijke relatie leek bevestigd te worden door de tederheid en intensiteit van hun optreden op het scherm. Flynn verwijst voortdurend naar Alexander als “lieverd” en “schat”, en voegt dit spontaan toe aan het oorspronkelijke script. Al dan niet opzettelijk hebben sommige scènes met Flynn en Alexander een homoërotisch karakter: bijvoorbeeld, Flynns’ massage van Alexanders’ been die onderbroken wordt door de vraag “Wat is er gaande tussen jullie beiden” als Lionel Atwill de set betreedt.
Een aantal andere schermvertolkingen door Flynn hebben ook homoërotische dimensies, zoals zijn flirtende conversaties met een duidelijk ongemakkelijke Fred MacMurray in “Dive Bomber” (1941). Men moet echter in gedachten houden dat, hoewel deze mogelijke “homoseksueel getinte interpretaties” de complexiteit en rijkheid van zijn acteerwerk suggereren, ze geen definitief bewijs zijn van Flynns’ eigen seksuele geaardheid en ervaringen.
Tussen 1936 en 1942 bereikte Flynn het hoogtepunt van zijn carrière. Hij schitterde in negentien grootse films voor Warner Brothers in die periode. De technicolor film “Adventures of Robin Hood” (1938), die meer dan 2.000.000$ kostte, was de duurste film die destijds gemaakt werd. Het werd één van Flynns’ signatuurrollen.
Met de bedoeling Flynn en de leidende dame bij Warner Bette Davis in “Gone with the Wind” samen in de hoofdrol te laten schitteren, tekende David O. Selznick een zeer winstgevend contract met Warner Brothers voor hun diensten. Toen de deal mislukte omdat Davis weigerde te acteren met Flynn (die ze als ongetalenteerd beschouwde), dwong Jack Warner haar met hem samen te werken in twee films: de melodramatische film “The Sisters” (1938) en het geschiedkundig overdreven romantische verhaal “The Private Lives of Elizabeth and Essex” (1939).
Hoewel Flynn het genre verafschuwde, werd hij gedwongen de hoofdrol te spelen in verscheidene Western films tijdens zijn periode bij Warner Brothers, beginnende met de erg succesvolle “Dodge City” (1939). In “They Died with Their Boots On” (1942) verlegde hij de grenzen van zijn gebruikelijke avonturierrollen door de ingewikkeldheden en tegenstrijdigheden van Generaal Custer over te brengen.
Flynn, die zich steeds meer geremd voelde door zijn avonturierrolletjes, smeekte de studio om hem de toelating te geven in een ander soort films te mogen spelen. In “The Perfect Specimen” (1937 – met ook Joan Blondell in de hoofdrol) en “Four’s a Crowd” (1938, met Olivia de Haviland en Rosalind Russell), toonde hij uitzonderlijke komische timing, alsook de verfijnde geestigheid waarvoor zijn vrienden hem zo bewonderden. Vele filmhistorici houden vol dat mócht Flynn de toestemming gekregen hebben om in meer films van dat genre te mogen spelen, dan zou hij de status van Cary Grant als de dominante mannelijke ster van mafkeeskomedies zeker aan het wankelen gebracht hebben.
In 1937, toen hij de inspanningen van de studio om alle aspecten van zijn leven te controleren wat moe was, en hij naar een echt (in tegenstelling tot een verfilmd) avontuur verlangde, reisde hij met zijn oude vriend Dr. Erben naar Spanje, dat zich toen midden in een alles vernielende burgeroorlog bevond. Hoewel de meeste van zijn vrienden benadrukten dat Flynn apolitiek was, getuigde hij toch van een sterke steun aan de Republikeinse zaak. Het is zo goed als zeker dat Flynn niets afwist van het feit dat Erben, hoewel Jood, een politieke kaarttrekker was van de Nazi’s en als spion werkte. Erben fotografeerde Duitse dissidenten in Spanje en verzamelde allerhande informatie voor de Duitse regering.
Flynn plaatste zichzelf in vele gevaarlijke situaties, aangezien hij en Erben gevechten in en rond Barcelona en Madrid tijdens maart en april trachtten vast te leggen op foto’s. Op een bepaald moment publiceerden Spaanse kranten verhalen over zijn dood, en betuigde de Spaanse overheid haar medeleven aan zijn vrouw. Omwille van zijn omgang met Erben, twijfelde de FBI aan Flynns’ loyaliteit en plaatsten ze hem onder constante bewaking tijdens Wereldoorlog II.
Ondanks het fiasco van de reis naar Spanje, slaagde de Warner Brothers’ studio erin een zeer positief publiek imago te creëren voor Flynn tijdens de periode van 1936 tot 1942. Een constante stroom van publiciteit legde de nadruk op de wisselwerking tussen zijn persoonlijkheid en zijn filmrollen. Flynns’ avonturen uit zijn jeugdjaren werden hierbij ten volle benut. Bovendien werden er heel wat inspanningen geleverd om de indruk te scheppen dat hij wel degelijk even nauwgezet rechtschapen als conventioneel rechtvaardig was als hij op het scherm leek te zijn.
Voor de jonge kijkers werd deze voorstelling nog versterkt door verscheidene reeksen tekstboeken voor de lagere en middelbare school van zulke klassieke werken als “The Charge of the Light Brigade”, die op grote schaal verwezen naar Flynns’ verwezenlijkingen in films. Tot 1942 slaagden studiopublicisten erin om Flynns’ schijnbaar onverzadigbare seksuele lusten en zijn zwaar drinkgedrag, dat steeds meer en meer zijn algemene gezondheid alsook zijn optreden benadeelde, voor het publieke oog verborgen te houden.
Flynns’ laatste jaren bij Warner Brothers, 1942-52
In het begin van de jaren 1940 vonden verscheidene gebeurtenissen tezelfdertijd plaats die Flynns’ voorzichtig opgebouwde publieke imago uiteen deden barsten. In het begin van de Tweede Wereldoorlog deed de acteur een aanvraag voor het bekomen van het Amerikaans burgerschap, maar hij slaagde er niet in in dienst te treden bij het leger omwille van chronische gezondheidsproblemen, zoals terugkerende aanvallen van malaria en een diagnose van tuberculose. Warner Brothers, die er echter op gebrand was de status van Flynn als heldhaftige avonturier te behouden, hield zorgvuldig alle informatie over zijn medische toestand voor de pers verborgen. Zijn fans waren dan ook verbaasd en verward bij het horen over Flynns’ mislukking om deel te nemen in de gevechten. Flynn was erg aangedaan door de vele redactionele commentaren in kranten van de Hearst Corporation die zijn patriottisme in vraag stelden.
In September 1941 verliet Lili Damita Flynn en nam hun zoon, Sean, met zich mee; in november startte ze de echtscheidingsprocedure, waarbij ze hem beschuldigde van onverdraagzame wreedheid. Aangezien Flynn en Damita jarenlang op gewelddadige wijze met elkaar ruzieden, dachten de meeste van hun kennissen dat de scheiding een goede oplossing was voor hun slechte situatie. Het grote publiek was echter wel geschokt door de split van dit koppel wiens relatie afgeschilderd werd als het perfecte huwelijk. De schikking, die getroffen werd in mei 1942, gaf Damita het recht op aanzienlijke maandelijkse betalingen voor de rest van haar leven. In latere jaren zou deze schikking bijdragen tot Flynns’ financiële ellende.
Op 18 oktober 1942 beschuldigde de officier van justitie van Los Angeles Flynn van seksueel contact met twee minderjarige vrouwen. Betty Hansen (achttien op het moment van de beschuldiging, maar zeventien in september 1941 toen Flynn ervan verdacht werd geslachtsgemeenschap met haar gehad te hebben) en Peggy Satterlee (slechts zestien jaar oud op het moment van de inbeschuldigingstelling). Alle elementen van het proces werden meegedeeld aan internationale media.
Ter verdediging van Flynn trok advocaat Jerry Geisler het karakter en de geloofwaardigheid van beide vrouwen in twijfel. Zo kon hij er onder andere voor zorgen dat de officier van justitie hen immuniteit voor vervolging ten gevolge van orale seks en abortus aanbood (destijds als misdaden beschouwd), in ruil voor het intrekken van de beschuldigingen tegen Flynn.
Hoewel Flynn vrijgesproken werd op 6 februari 1943, bleven de implicaties van zijn schuld bestaan, en de meeste mensen aanschouwden hem niet meer met hetzelfde respect als vroeger. Wat niet verrassend was: veel vrouwelijke cinemaliefhebbers waren geschokt door het proces, maar fan mail geeft aan dat sommigen onder hen ook onder de indruk waren van de onthullingen over zijn seksuele escapades. Verder zorgde de publiciteit rond zijn proces ook voor wat bewondering bij soldaten omwille van zijn seksuele dapperheid en kundigheid om de verantwoordelijkheid van zijn daden te kunnen ontvluchten. Dus verzonnen mannen die in dienst genomen werden bij het leger de zin “In like Flynn” (Erin zoals Flynn) om voorbeelden van seksuele stoutmoedigheid en succes te omschrijven.
Tijdens het verloop van het proces begon Flynn heel discreet een relatie met Nora Eddington (1924-2001) die toen werkte in een tabaksstand in het gerechtsgebouw. Toen ze zwanger werd in augustus 1943, trouwde Flynn met haar om ervoor te zorgen dat zijn kind een “wettelijke” naam zou dragen. Erop gebrand zijn levensstijl van vrijgezel verder te zetten, ontkende Flynn publiekelijk de geruchten over zijn huwelijk, tot de geboorte van hun dochter Deirdre op 10 januari 1944 gemeld werd door de pers in Hollywood. Ze kregen daarna nog een dochter, Rory.
Eddington trok uiteindelijk in bij Flynn, en zijn kinderen herinneren zich hem als een uitstekende vader. Flynn kon, met zijn rusteloze ziel, echter niet in toom gehouden worden binnen de grenzen van een conventioneel huishouden. Dus ging hij verder met zijn seksuele betrekkingen met ontelbaar veel vrouwen (en waarschijnlijk ook mannen), en ging zich te buiten aan overdreven drinken met zijn mannelijke kameraden. Volgens zijn familie en vrienden zorgde zijn verlangen voor avontuur ervoor dat hij experimenteerde met drugs; zijn daaruit voortvloeiende morfineverslaving zorgde voor veel problemen in latere jaren. Eddington, die steeds gefrustreerder raakte door Flynns’ gedrag, scheidde van hem op 7 juli 1949.
Aanvankelijk was Warner Brothers ervoor op zijn hoede dat het proces voor verkrachting van minderjarige vrouwen Flynns’ aantrekkingskracht naar het publiek toe zou vernietigen. De film “Gentleman Jim” (1942), die uitkwam voor het begin van het proces, werd echter een groot succes. Maar toch, de films waarin Flynn speelde tijdens zijn laatste tien jaren bij Warner Brothers werden niet op dezelfde enthousiaste manier onthaald door het publiek als het geval was voor zijn vroegere filmrollen. Verder kregen de meeste van zijn films ook minder budget toegekend dan de vorige films, en werd hij zelfs aangeduid om te spelen in goedkopere “B” films.
Een uitzondering op deze tendens was “The Adventures of Don Juan” (1949), die de bedoeling had Flynn een laatste te kans te geven op een film met een groot budget. Zoals het geval was in “Captain Blood” en andere melodramatische avonturenfilms, toonde hij een aanzienlijke bekwaamheid in zwaardgevechten en stuntwerk, hoewel hij er behoorlijk ouder uit zag dan in zijn vroegere avonturenfilms. Het meest beduidend was de zelfbewuste humor – waarbij hij een overdreven oerimago van de onverzadigbare minnaar creëerde – waarmee Flynn zijn rol van Don Juan inkleurde. Hoewel zijn optreden in Don Juan de favoriet van vele homoseksuele kijkers bleef, was het Amerikaanse publiek, ongeacht Flynns’ zelfbewuste satire op romantische clichés, in het algemeen ontgoocheld over deze film, die het echter wel uitzonderlijk goed deed in Europa.
Tijdens het filmen van “Don Juan” begonnen Flynns’ ziekelijk drinkgedrag en morfineverslaving uit controle te geraken. Zijn toenemende afwezigheid in de studio vertraagde de productie en deden de kosten sterk toenemen. Nadien begon Warner Brothers hem eerder als een blok aan het been te zien, maar toch behielden ze hem onder een contract tot 1952.
Ondanks een aanzienlijk aantal irrelevante films, bracht Flynn ook een aantal uitblinkende rolvertolkingen op het scherm tijdens de periode 1942 tot 1952. Bijvoorbeeld, in “Uncertain Glory” (1944) beeldt hij op subtiele wijze een crimineel uit die zijn leven opofferde om gegijzelden los te krijgen die vastgehouden werden door de Nazi’s. Zonder al te veel conventioneel sentiment, onthulde hij triviale en listige aspecten van het karakter, alsook zijn idealisme.
Flynn draagde de eentonigheid en de gruwel van een strijd uit in “Operation Burma” (1945), dat nu aanzien wordt als één van de weinige gevechtfilms gemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog die nog steeds geloofwaardig overkomt. Maar de verontwaardiging bij de Britse media over de voorstelling in de film van de Birmaanse operatie als ware het een Amerikaanse onderneming zorgde ervoor dat Warner Brothers de film moest terugtrekken uit de zalen in de Britse Gemenebestlanden, en had zelfs een destructieve invloed op de vertoningen in filmzalen in de VS. In “That Forsyte Woman” (1949) speelde Flynn, die toen te leen was aan MGM, tegen zijn karakter als de sluwe en bezitterige Soames Forsyte.
Met zijn artificieel script en “B” productieniveau, was “Rocky Mountain” een typisch voorbeeld van de vele films die Flynn toegewezen kreeg tijdens de laatste jaren van zijn contract. Het project gaf hem echter wel de kans om zangeres en actrice Patrice Wymore (geboren in 1926) te ontmoeten, met wie hij trouwde in Frankrijk op 23 oktober 1950, en met wie hij een dochter kreeg, Arnella Roma.
Laatste jaren
In 1952 annuleerden Flynn en Warner Brothers, bij wederzijdse overeenkomst, Flynns’ contract. Hij nam zich voor om zijn bekwaamheid te tonen om met eigen middelen grote speelfilms te maken, en begon in de lente van 1953 aan een buitensporige Europese productie van “William Tell”. Indien hij dit tot een goed einde gebracht zou hebben, zou het de eerste onafhankelijke speelfilm geweest zijn in Cinemascope. Spijtig genoeg trokken zijn Italiaanse partners zich terug uit de productie, en bijgevolg moest Flynn alleen de wettelijke complicaties die voortvloeiden uit de mislukte deal afhandelen. Tot Flynns’ ontzetting werd hij ook nog eens bestookt met wraakzuchtige gerechtelijke stappen die tegen hem werden gezet door zijn oude vriend, acteur Bruce Cabot, die zijn auto, kleding, en andere persoonlijke bezittingen in beslag liet nemen.
Later in 1953 werd Flynns’ financiële ellende nog groter toen hij ontdekte dat Al Blum, zijn onlangs overleden financiële manager, van hem gestolen had en hem met een schuld aan de fiscus opgezadeld had van meer dan 1.000.000 $. Flynn weigerde zich failliet te laten verklaren, en hij verkocht daarom vele van zijn bezittingen om zijn schulden deels af te betalen.
In 1955 maakte Damita aanspraak op bijkomend alimentatiegeld en won hierbij het huis in gedeeltelijke betaling; Flynns’ hoofdverblijfplaats werd later zijn jacht, de Zaca. Tijdens de jaren 1950 deed Flynn enkele gastoptredens tijdens televisieshows; in de meeste gevallen werd hem verzocht karikaturen van zijn vroegere heldhaftige rollen op te voeren.
Wymores’ optredens in films en op televisie hielp het koppel financieel te overleven, en ze bood Flynn ook veel emotionele steun. Hij scheidde echter van haar in 1958 en begon een schandalige verhouding met tiener Beverly Aadland (geboren in 1942) die hij het jaar voordien ontmoet had.
Tijdens het midden van de jaren 1950 maakte Flynn een aantal gewone films voor Britse studio’s, zoals “Let’s Make Up” (1955), een sentimentele romance met de bekende Engelse muziekster Anna Neagle, en “The Warriors” (1955), zijn laatste historische heldenfilm.
In de laatste jaren van zijn leven ervoer Flynn echter een heropleving van zijn filmcarrière, en verwezenlijkte hij enkele schitterende optredens, die dimensies aan het licht brachten die nooit eerder in zijn vorige rollen tot uitdrukking kwamen. Zijn afschildering van een afgematte alcoholicus in “The Sun Also Rises” (1957) werd verwelkomd als zijn grote comeback, en hij vervolgde dit succes met kritisch toegejuichte optredens als John Barrymore in “Too Much, Too Soon” (1958), en als een Britse deserteur die zichzelf toewijdt aan het behoud van Afrikaanse olifanten in “The Roots of Heaven” (1958).
Flynn, die nog steeds naar avontuur verlangde, trok naar Cuba in 1959, om er de revolutie die daar plaats vond mee te maken. Hij schreef enthousiaste verslagen voor Amerikaanse en Canadese kranten over Fidel Castro, die hij later weer introk. Hij maakte ook een kortfilm, “Cuban Rebel Girls” (1959), met de bedoeling om zowel Castro te verheerlijken, alsook om Aadland onder de aandacht te brengen. De gunstige publiciteit die er gemaakt werd rond zijn Cubaanse escapade riep de periode van zijn grootste successen tevoorschijn.
Flynn overleed aan een hartaanval op 14 oktober 1959 in Vancouver, waar hij naartoe getrokken was om zijn boot te verkopen in een poging om nog wat schulden af te betalen.
Besluit
In een eerbetoon aan Errol Flynn, karakteriseert Jack Warner scherp zijn filmprestaties: “Hij was alle helden in één prachtige, sexy, beestige verpakking. Hij overgoot het publiek met vonken als hij lachte, als hij vocht, als hij liefhad”. Het dynamisme, de seksuele energie en het charisma die duidelijk naar voren kwamen in zijn eerste films zijn nog steeds opwindend voor kijkers van diverse achtergronden en perspectieven. In zijn laatste films onthulde hij een diep bewustzijn van de tragedies en complexiteiten van het leven.
Flynn verdient in plaats in de holebigeschiedenis omwille van verschillende redenen. In “The Adventures of Don Juan” beraamde hij een diepgaande homoseksuele vertolking van de onverzadigbare minnaar, die in het bijzonder resoneerde met homoseksuele kijkers in een tijdperk van grote onderdrukking; en in andere films voegde hij een homoërotische dimensie toe die het merendeel van zijn publiek wellicht over het hoofd zag, maar die homoseksuele fans in verrukking bracht.
Bovendien was Flynn in het echte leven een avonturier. Hij had wellicht relaties met zowel mannen als vrouwen. Wat het belangrijkst is: hij illustreert de veranderlijkheid van seksuele verlangens en de wat aselecte aard van seksuele dwang. De constante roddels over zijn geflirt met mannen, samen met zijn eigen zelfbeschrijving (”If It Moved, Flynn Fucked It”) kan erop wijzen dat zijn compulsief gedrag als rokkenjager misschien ook wel verband hield met de seksuele noden die de gangbare categorieën van seksuele geaardheid te boven gaan.