Springfield, Dusty (1939-1999)

dusty-springfieldDusty Springfield werd één van de meest bekende Britse vrouwelijke rocksterren uit de jaren 1960, één van de meest prominente blanke soulzangeressen ooit, en een enorm grote invloed op latere zanggeneraties. Springfield, die nu genoemd wordt als één van de grootste stemmen uit de popmuziek, was lange tijd een icoon van de holebicultuur.

Ze werd geboren als Mary Isobel Catherine Bernadette O’Brien in Londen op 16 april 1939, en werd opgevoed in Rooms-katholieke kloosterscholen. Als tiener was ze “het lelijke eendje met de bril”.

Ze voegde zich bij haar broer Tom in een volksorkestje, de Springfields. Ze werden het meest populaire bandje in Engeland voor de komst van de Beatles. In 1962 werden de Springfields met Silver Threads and Golden Needles de eerste Britse groep die een top-20 hit scoorde in de Verenigde Staten.

Geïnspireerd door de muziek van Amerikaanse meidengroepen, verliet Dusty de Springfields en begon een solocarrière. Ze schakelde over van haar “gezonde” Springfields-stijl naar een meer trendy Queen of the Mods stijl (Modekoningin), met modieuze kledij, excessieve wijd uitstaande haarstijlen, en felle zwarte mascara.

Lees verder »

Elton en Judy zijn grootste holebi-iconen

elton-johnElton John, die in 2005 trouwde met zijn levenspartner David Furnish, is uitgeroepen tot de meest gerespecteerde man onder homo’s. Actrice Judy Garland, bekend van ‘The Wizard of Oz’, is voor homo’s de meest iconische vrouw aller tijden.

In de lijst van de mannelijke homo-iconen treffen we vooral homo’s, op David Beckham na. In de vrouwenlijst prijken dan weer vooral glamoureuze sterren en amper bekende lesbiennes. De Britse tv-ster Paul O’Grady haalde beide lijsten, als zichzelf en als zijn vrouwelijke alter ego Lily Savage. De poll werd onder 5.000 Britse homo’s en lesbiennes gehouden.

Mannelijke homo-iconen
1. Elton John
2. Freddie Mercury
3. Stephen Fry
4. George Michael
5. Oscar Wilde
6. Will Young
7. Alan Carr
8. Paul O’Grady
9. Boy George
10. David Beckham

Vrouwelijke homo-iconen
1. Judy Garland
2. Kylie Minogue
3. Madonna
4. Cher
5. Liza Minnelli
6. Marilyn Monroe
7. Shirley Bassey
8. Lily Savage
9. Dusty Springfield
10. Barbra Streisand

(bron: hln.be)

Diva’s

ABC

diva'sDe term “diva” was oorspronkelijk een Italiaans woord dat “godin” betekende. In de Italiaanse operacultuur, werd het woord gebruikt om een sterfelijke vrouwelijke goddelijkheid aan te duiden: een soprano met een uitzonderlijke muzikale virtuositeit en met een grandioze flair, een zangeres die met haar opvoeringen de emoties van haar publiek raakte en die vaak fanatiek en obsessief werd bewonderd door haar fans.

In de twintigste eeuw, vooral dan in de Verenigde Staten, werd de term “diva” ook gebruikt voor populaire zangeressen, bijvoorbeeld Judy Garland (1922-1969), Billie Holliday (1915-1959) of Dusty Springfield (1939-1999). Hun vermogen om in te spelen op de gevoelens van hun publiek en hun persoonlijke tragedies maakten dat ze bewonderd werden door hun fans die zich ook identificeerden met de sterren.

Meer recent werd de term “diva” minder belangrijk omdat deze nu gebruikt wordt voor bijna elke vrouwelijke ster die haar emoties toont of die het te bont maakt.

Toch heeft de diva altijd een belangrijke rol gespeeld in de holebi-cultuur als onderwerp van cult-verering. Zij die lijden onder de pijn van verboden liefde en een maatschappij die hen niet wilt aanvaarden, herkennen zich in die persoon en vinden er soelaas bij. Op die manier is de diva voor haar holebi-fans een sterfelijke goddelijkheid.

Operadiva’s

Opera heeft lang een zekere aantrekkingskracht gehad op holebi’s en dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat opera altijd een ruimte creëerde waarin de grenzen van geslacht, gender en seksualiteit vaak vervaagden.

De castrati, dat zijn gecastreerde zangers die zegevierden in de achttiende eeuw en die ook hun eigen groepen fans hadden, speelden heroïsche mannenrollen én vrouwenrollen op plaatsen waar vrouwen vaak niet op de planken mochten komen.

In hun kielzog begonnen vrouwelijke mezzo-soprano’s en contralto’s in de negentiende en begin de twintigste eeuw mannenrollen te spelen in opera’s. Daardoor creëerde de opera een respectabele plaats waar holebi’s zich konden goed voelen.

Toch was de verafgoding van diva’s oorspronkelijk geen holebi-uitvinding. Tegen de negentiende eeuw waren er verschillende prima donna’s met hun eigen groepen van devote fans, gelijkaardig aan de fans van de hedendaagse film- en muzieksterren. Het beeld van de diva als een flamboyante, extravagante en temperamentvolle sterke vrouw begon zich te vormen.

Maria Malibran lonkte allerlei gevoelens los bij haar fans

Maria Malibran lonkte allerlei gevoelens los bij haar fans

Maria Malibran (1808-1836), haar zus Pauline Viardot (1821-1910), Giula Grisi (1811-1869) en Jenny Lind (1820-1887) lokten allen overweldigende emoties los bij hun fans, van welke seksuele geaardheid of achtergrond ook. Deze universele aantrekkingskracht had waarschijnlijk veel te maken met het feit dat opera een populaire kunstvorm was in de negentiende eeuw.

Toen de twintigste eeuw zich aandiende, kwamen er andere vormen van vermaak en werd de verafgoding van diva’s steeds meer een kenmerk van de holebi-cultuur. Vele belangrijke diva’s uit die tijd werden verondersteld zelf lesbisch of biseksueel te zijn.

De verafgoding van diva’s door lesbiennes

Zelfs nog voor de komst van de Hollywood-filmsterren, was de theatrale prima donna vaak het idool van bewonderende vrouwelijke fans. In de vroege twintigste eeuw was veel van deze homo-erotische ophemeling gericht naar twee figuren: de Zweedse soprano Olive Fremstad (1871) en de Schotse soprano Mary Garden (1874-1967). Beiden waren vrouwen met een dubbelzinnige seksualiteit die waren gespecialiseerd in het vertolken van provocatieve, geslachtsonduidelijke rollen.

Olive Fremstad was het best bekend om haar Wagneriaanse heldinnen en haar verleidsters (Brunnhilde, Kundry, Ortrud, Venus) en voor haar rollen in Carmen, Tosca en Salome. Na haar terugkeer naar de Verenigde Staten in 1903 werd ze één van de grootste sterren in de Metropolitan Opera, waar ze in 1907 te zien was in het “schandaalstuk” Salome, een opera gebaseerd op het decadente toneelstuk van Oscar Wilde.

Mary Garden stond geboekstaafd omwille van haar doortastende stijl en ze was de belangrijkste vertolkster van veel immorele vrouwelijke rollen van de Franse opera. Ze speelde ondermeer de hoofdrollen in “Louise” van Gustave Charpentier, “Pelléas et Mélisande” van Claude Debussy en “Manon”, “Thaïs”, “Sapho” en “Cléopâtre” van Jules Massenet.

Mary Garden werd gevierd omwille van haar mannenrollen. In 1907 maakte ze haar Amerikaanse debuut en van 1910 tot haar pensioen in de jaren 1930 was ze de belangrijkste soprano in de opera van Chicago.

Geen van beiden trouwde ooit en hun geaardheid was vaak het onderwerp van roddels. Olive Fremstad leefde een aantal jaren samen met haar secretaresse Mary Watkins Cushing. Hun relatie werd geromantiseerd in “Of Lena Geyer” van Marcia Davenport uit 1936. Een meer heroïsch portret van haar werd gemaakt in “The Song of the Lark” uit 1915 door Willa Cather, een lesbische operafan. Van Mary Garden werd er gefluisterd dat ze een lesbienne was.

Het blijft gissen over de geaardheid van deze vrouwen. Wat wel van betekenis is, is de rol die deze vrouwen speelden bij hun vooral vrouwelijk publiek omwille van hun lesbo-erotische opvoeringen.

De verafgoding van diva’s door lesbiennes was bijna steeds gericht op zangeressen die zich hadden gespecialiseerd in het vertolken van heroïsche of geslachtsonduidelijke rollen. Meer recente operadiva’s die vooral geliefd werden door lesbiennes zijn Brigitte Fassbaender, Tatiana Troyanos en Jessye Norman.

De verafgoding van diva’s door homo’s

Het is misschien te veralgemenend om te stellen dat in tegenstelling tot verafgoding van diva’s die door lesbiennes gebaseerd was op lust, de verafgoding van de homo’s gebaseerd is op hun zelfidentificatie met de diva’s. In de holebi-cultuur zijn de grenzen tussen zelf-identificatie en lust vaak vaag.

In tegenstelling tot de verafgoding door lesbiennes, hebben de homo’s zich steeds gefocust op meer kwetsbare figuren, die je zou kunnen omschrijven als “tragedie koninginnen”. Bewijs hiervan is de blijvende verafgoding van de homo’s voor Maria Callas (1923-1977), die bij haar fans bekend is als “la Divina”.

Zij was zonder twijfel één van de meest opmerkelijke zingende actrices van de twintigste eeuw en ze was gespecialiseerd in het vertolken van onfortuinlijke en emotioneel fragiele vrouwenrollen. De tragedies die ze vertolkte, maakte ze ook mee in haar persoonlijke turbulente leven, met haar veelbeschreven romantische relaties, haar liefdesbreuken en uiteindelijk het verlies van haar stem.

Deze verafgoding van Callas had te maken met een complex systeem van psychische associaties, die voortkwam uit het homoleven, met dan vooral de sociale marginalisatie. Verder hebben minderheidsgroepen de neiging om een bepaalde nood te hebben aan cult-iconen waarmee ze zich kunnen identificeren als een antwoord op hun eigen uitsluiting uit “de gewone maatschappij”.

Een andere uitleg is dat homo’s, die maar al te vaak door de maatschappij verworpen worden, zich aangetrokken voelen tot diva’s omdat deze buitengewone figuren een catharsis belichamen, of het nu op het toneel is of in hun privé-leven, van al de pijn, vernederingen en het lijden dat bijna een onvermijdelijke grote rol speelt in het leven van de homo’s.

De uitbreiding van de diva-cultus

Na de Tweede Wereldoorlog werden niet enkel vrouwen uit de opera diva’s, maar ook vrouwen uit de populaire muziek. Holliday, Garland en Springfield bijvoorbeeld lokten ook grote emoties los bij hun optredens, hadden ook problemen in hun privé-levens, werden misbruikt en stierven veel te jong… zij hadden allemaal een grote schare aan homo-volgelingen. Dusty Springfield, zelf een lesbienne, had ook een grote groep van lesbische volgelingen.

De titel “diva” heeft veel van zijn betekenis verloren in de recente jaren en dat is voor het overgrote deel te wijten aan de massamedia. De houding van een zangeres is veel belangrijker geworden dan haar virtuositeit. Heel wat jonge popzangeressen noemen zichzelf een diva. Het lijkt er zelfs op dat men zelfs geen vrouw meer moet zijn, laat staan een zangeres, om zichzelf een diva te noemen.

Dat wil niet zeggen dat er geen diva’s meer zijn die deze titel verdienen. Enkele grote diva’s onder de moderne operazangeressen zijn Renée Fleming, Deborah Voight, Lorraine Hunt Lieberson, Kathleen Battle, Susan Graham en Jane Eaglen. En er zijn ook grote popdiva’s, waaronder Barbra Streisand, Dolly Parton, Bette Midler, Cher, Celine Dion en natuurlijk Madonna, waarvan vele een grote groep holebi-fans hebben.

Zolang holebi’s gediscrimineerd worden, zullen ze diva’s nodig hebben, een kathartische figuur die hun vreugde en pijn belichaamt.

Biseksualiteit in films

ABC

biseksualiteit-in-filmsEr is al veel gezegd en geschreven over homo’s en lesbiennes in films, maar over biseksualiteit (of het nu over de personages of de acteurs/actrices zelf gaat) is niet zoveel bekend. Sommige geschiedkundigen en regisseurs argumenteren dat biseksualiteit een mildere – en daardoor meer aanvaarde – vorm is van homoseksualiteit of lesbianisme, anderen behandelen de biseksueel ofwel als een verrader van de gayscene of als een maniakale moordlustige of suïcidale variant die verscheurd wordt tussen twee werelden.

De eerste bekende films met biseksuele personages zijn “A Florida Enchantment” uit 1914, een Amerikaanse film door Sidney Drew en “Zapatas Bande”, een Duitse film uit hetzelfde jaar. Deze vroege stomme films werden niet gehinderd door de censuur en de regisseurs waren vrij in de keuze van hun personages, binnen de moraal van hun tijd.

Toch werden de geaardheid van de personages eerder verbloemd in plaats van ze duidelijk naar voor te brengen. Homoseksualiteit en biseksualiteit werden vaak verhuld in religieuze thema’s om plaatselijke censoren de pas af te snijden (zo konden zij niet knippen in de films voor ze werden getoond aan het publiek).

Will H. Hays verbande alle verwijzingen naar holebi's uit Amerikaanse films

Will H. Hays verbande alle verwijzingen naar holebi's uit Amerikaanse films

De code van Hays

Rond 1915 werd Hollywood de filmhoofdstad van de wereld. De filmindustrie werd berucht voor zijn omgeremdheid – omwille van het druggebruik en de promiscue seks – onder zijn werknemers, met dan vooral de acteurs en de actrices zelf.

Uiteindelijk besloot men zelf de situatie aan banden te leggen, voor externe censoren dit deden en een groep filmmakers huurden Will H. Hays in, een voormalige postmeester. Hij schreef een reeks richtlijnen uit, die in 1934 de productiecode werd of de “Hays-code” waardoor elke verwijzing naar holebiseksualiteit uit Amerikaanse films werd verbannen.

De woorden “gay”, “homosexual” en “bisexual” mochten zelfs niet meer gebruikt worden en er waren bijna geen biseksuele personages meer te zien in Amerikaanse films tijdens de jaren 1930 en 1940. Het gebrek aan biseksuelen in de film zorgde er zelfs voor dat het grote publiek dacht dat biseksualiteit niet echt bestond. Uiteindelijk kwamen er later toch regisseurs die zich niets aantrokken van de code van Hays, en in de jaren 1960 werd deze zelfs opgeheven.

Biseksuele scenario’s

De verwerping van de Hays-code betekende niet meteen een positieve weergave van holebi’s. In plaats daarvan kwamen er een paar aangepaste scenario’s waardoor er biseksuelen in de films te zien waren.

Meestal werd het biseksuele verleden van een personage onthuld of zwerft hij of zij rond met een partner van hetzelfde geslacht. “Making Love” uit 1982 was de eerste grote Hollywood-film over een openlijk biseksuele man, zonder hem te veroordelen. Echtgenoot Michael Otkean verlaat zijn vrouw Kate Jackson (een voormalige Charlie’s Angel en lesbisch icoon) voor een andere man, gespeeld door Harry Hamlin. Hoewel deze film geen commercieel succes werd, was het feit dat in een Hollywoodfilm een biseksueel als een normale mens werd geportretteerd, heel belangrijk.

Een ander mogelijk scenario is dat een homo of een lesbienne wordt verlaten door zijn/haar geliefde die op zijn/haar beurt een heteroseksuele relatie aangaat. In de filmhit “The Fox” uit 1968 kiest het biseksuele personage Ellen uiteindelijk voor een man in plaats van voor haar lesbische vriendin, die op haar beurt wordt vermoord door de man.

In “Personal Best” uit 1982, leert het personage van Mariel Hemingway haar eigen geaardheid kennen dankzij Patrice Donnely, maar uiteindelijk kiest zij voor een man: Scott Glenn.

Een variatie op dit thema is “Chasing Amy” uit 1994 van Kevin Smith. Het personage Alyssa is een gezworen lesbienne tot zij verliefd wordt op een man. Ze heeft eventjes een relatie met hem, maar uiteindelijk kiest ze toch terug voor een vrouw.

In een derde – en meest beangstigend – scenario is het biseksueel personage een marginaal persoon die moordt of wordt vermoord omwille van zijn of haar geaardheid. In de film “The Fox” is de dood van de lesbienne nogal symbolisch: zij wordt gedood door een boom die tussen haar benen valt.

In “Basic Instinct” uit 1992, een film die werd geboycot door holebi-verenigingen omwille van de voorstelling van de criminele holebi, portretteert Sharon Stone de moordlustige biseksuele Catherine Tramell. Er wordt verondersteld dat zijn haar biseksuele geliefde vermoordde, maar uiteindelijk blijkt dat hij is vermoord door een man, Michael Douglas met wie ze beiden een relatie hebben gehad.

De biseksueel als verrader

De filmbiseksueel wordt vaak voorgesteld als iemand zonder ruggengraat, als een persoon die zijn/haar partners en de gemeenschap bedriegt.

De hartendief van Hollywood, Robert Redford, speelde de biseksuele echtgenoot Wade in “Inside Daisy Clover” uit 1966. Op vraag van de ster werd Wade veranderd van een homo naar een biseksueel zodat Robert “hem beter kon spelen”. Hoewel zijn biseksualiteit nauwelijks aan bod komt in de film, was het de bedoeling van de acteur om de biseksueel te portretteren als een egoïstische, immorele man.

In “Sunday, Bloody Sunday” uit 1971 van John Schlesinger delen een homo en een hetero-vrouw een biseksuele man. Er wordt flink nadruk gelegd op het feit dat deze laatste niet “kiest” tussen zijn homo- of heteroseksualiteit.

“Cabaret” uit 1972, gebaseerd op de musical van John Kander-Fred Ebbs en op “Berlin Stories” van Christopher Isherwood gaat over de relatie tussen de biseksuele Baron Max en de meer homo-achtige Brian Roberts. Uiteindelijk blijft Roberts alleen achter.

De film “Go Fish” uit 1994 is de meest succesvolle “doordeweekse” lesbische film met het openlijk biseksueel personage “Daria” dat seks heeft met een man en die daarna ondervraagd wordt door haar lesbische vriendinnen die haar afkeuren en haar uit hun groep willen wegstemmen.

“Dog Day Afternoon” van Sidney Lumet uit 1975 is een noemenswaardige uitzondering op het thema. De film is gebaseerd op waargebeurde feiten en toont Al Pacino als Sonny, die getrouwd is met een vrouw en kinderen heeft, maar die verliefd wordt op Leon, zijn transeksuele geliefde (Chris Sarandon). Sonny overvalt een bank om voor de geslachtsoperatie van Leon te kunnen betalen.

In hetzelfde jaar werd ook de cultklassieker “The Rocky Horror Picture Show” uitgebracht. Daarin portretteert Tim Curry in travestie Dr. Frank-N-Furter. Hij bevredigt zowel Brad als Janet, een bruidspaar gespeeld door Barry Bostwick en Susan Sarandon.

Recente films

Ondanks wat vooruitgang, lijkt Hollywood biseksualiteit nog steeds als een taboe te behandelen. “Henry and June”, waarin een relatie tussen biseksuele vrouwen te zien is, werd door de censoren als ongeschikt bevonden voor kijkers onder de 17 jaar.

“Wild Things” uit 1998 gaat ook over de seksuele relatie tussen de twee vrouwelijke hoofdpersonages, en er wordt even allusie gemaakt op de seksuele relatie tussen de twee mannelijke hoofdpersonages. Toch werd deze film goedgekeurd voor alle publiek omdat in deze film het lesbianisme eerder als een heteroseksuele fantasie wordt gebruikt.

Biseksuele acteurs/actrices

Er bestaan al lang geruchten over de biseksualiteit van enkele acteurs of actrices: van James Dean tot Cary Grant tot Tom Cruise, maar slechts een paar acteurs en actrices hebben ooit openlijk over hun biseksualiteit gepraat: Madonna, Joey Lauren Adams, Anne Heche en Sandra Bernard. Het is geen toeval dat de meesten vrouwen zijn, omdat vrouwelijke biseksualiteit nog steeds beter geaccepteerd wordt dan mannelijke biseksualiteit, omdat het een belangrijke rol speelt in heteroseksuele fantasieën.

In “My Best Friend’s Wedding” uit 1997 met Julia Roberts is er sprake van biseksuele infiltratie. De film begint op de tonen van de biseksuele Ani DiFranco die een cover van Dusty Springfield zingt “Wishin’ and Hopin’”. In de film is ook de biseksuele Rupert Everett te zien, die de show steelt als de voorspelbare, amusante homo-kameraad van Julia Roberts.

Besluit

Biseksualiteit in films, is helemaal anders dan de homo of lesbische tegenhanger en wordt langzamerhand een afzonderlijk genre, waarvan het biseksueel filmfestival in San Francisco een bewijs is.