Parton, Dolly (1946)

dolly-partonDolly Rebecca Parton (Sevierville (Tennessee), 19 januari 1946) is een Amerikaanse countryzangeres, tekstschrijfster en actrice.

Dolly is het vierde kind in een gezin met twaalf kinderen. Haar ouders zijn Robert Lee Parton en Avie Lee Owens. Haar elf broers en zussen zijn Willadeene (dichter), David, Denver, Bobby, Stella (zangeres), Cassie, Larry (kort na de geboorte overleden), Randy (zanger), de tweeling Floyd (songwriter) en Freida (zangeres), en Rachel (actrice, getrouwd met Richard Dennison).

Ze groeide op in een arme familie op de tabaksboerderij van haar vader in de Great Smoky Mountains, bij Locust Ridge, Tennessee. Op twaalfjarige leeftijd verscheen ze op televisie in Knoxville en een jaar later nam ze haar eerste album op bij Gold Band Records (een klein lokaal platenlabel). Ook trad ze op in “The Grand Ole Opry”. De dag nadat ze in 1964 haar school had afgerond vertrok ze naar Nashville.

Op 30 mei 1966 is zij in Ringgold (Georgia) getrouwd met Carl Dean (met wie ze nog steeds samen is) die een asfalteringsbedrijf leidde. Het paar heeft geen kinderen. Samen met haar man heeft zij vijf van haar jongere broers en zussen opgevoed. Dat heeft haar bij neefjes en nichtjes de bijnaam Aunt Granny (tante oma) opgeleverd. Miley Cyrus is een petekind van Dolly Parton.

Lees verder »

Holiday, Billie (1915-1959)

billie-holidayBillie Holiday, echte naam: Eleanora Fagan Gough (Philadelphia, 7 april 1915 – New York City, 17 juli 1959) wordt algemeen beschouwd als één van de belangrijkste en invloedrijkste Amerikaanse jazz-zangeressen. Zij werd, behalve als Billie Holiday, ook bekend onder de bijnaam Lady Day die tenorsaxofonist Lester Young haar had gegeven. Holiday, op haar beurt, was verantwoordelijk voor Youngs bijnaam Pres of Prez (afkorting van President).

Billie Holiday was de dochter van gitarist Clarence Holiday (Baltimore, 23 juli 1898 – Dallas, 1 maart 1937) en Sadie Fagan (Baltimore, 16 augustus 1895 – New York, 6 oktober 1945). Haar vader was 16 en haar moeder 19 toen Billie Holiday als Eleanora Fagan Gough geboren werd. De artiestennaam Billie ontleende de zangeres aan Billie Dove, een actrice die zij bewonderde.

De kindertijd van Holiday is enigszins in nevelen gehuld en heeft soms meer weg van een legende. Het begint al bij haar geboorte. Veel bronnen vermelden 1915 als geboortejaar, sommige bronnen noemen het jaar 1912. Ook het moment waarop zij begon met zingen staat niet onomstotelijk vast. Volgens haar eigen biografie werd zij ontdekt in 1933, toen een dansauditie mislukte, en zij in plaats daarvan werd gevraagd te zingen, maar eigenlijk lijkt het aannemelijker dat zij al in 1930 of 1931 zong in New Yorkse jazzclubs.

Lees verder »

Tags : , , , , , , ,
Geplaatst op 26 februari 2010 - 0 reacties op dit artikel.

Norman, Jessye (1945)

jessye-normanJessye Norman wordt geboren in Augusta op Georgia 15 september 1945.

De stem van Jessye Norman wordt beschouwd als een van de mooiste ter wereld. Ze krijgt regelmatig eervolle vermeldingen voor haar vernieuwende programma’s en haar inzet voor de hedendaagse muziek.

Jessye Norman’s moeder speelde piano en haar vader, een verzekeringsagent, zong in een koor. Tijdens haar jeugd stond muziek centraal en leerde ze al snel zingen en piano spelen.

Op haar zestiende jaar deed Norman mee aan de ‘Marian Anderson Vocal Competition’ in Philadelphia, welke ze niet won, maar waardoor ze een volledige beurs aangeboden kreeg voor de Howard University, een prestigieuze school gesticht voor Afro-Amerikanen in Washington. Terwijl ze hier studeerde zong ze in het universiteitskoor en had ze een baan als soliste in de ‘Lincoln Temple United Church of Christ’, bovendien studeerde ze zangonderricht bij Carolyn Grant.

In 1966 won Jessye Norman de zangwedstrijd van de ‘National Society of Arts and Letters’. In 1967 studeerde Norman af met een graad in muziek en begon vervolgstudies aan het ‘Peabody Conservatorium’ in Baltimore en later aan de Universiteit van Michigan in Ann Arbor, waar zij in 1968 haar Masters Degree behaalde. Onderwijl studeerde ze zangonderricht bij Elizabeth Mannion en Pierre Bernac.
Lees verder »

Troyanos, Tatiana (1938-1993)

tatiana-troyanosTatiana Troyanos (9 december 1938 – 21 augustus 1993) was een Amerikaanse mezzo-sopraan van Griekse afkomst.

Tatiana werd geboren in New York City en groeide op in Forest Hills (Queens) waar ze naar de ‘Forest Hills High School’ ging. Op de universiteit was haar bijnaam “Totsie”.

Vooraleer ze haar debuut maakte in de opera, was Tatiana koorlid van de originele productie van “The Sound of Music”.

In 1963 maakte Tatiana haar professionele operadebuut in de ‘New York City Opera’ als Hippolyta in Benjamin Britten’s “A Midsummer Night’s Dream”. Het volgende jaar zong ze de rol van Marina Mnichek in de eerste productie van Boris Godunov.

Vanaf 1976 werd ze internationaal gevierd voor haar unieke sensuele stem, haar veelzijdigheid en haar schoonheid, alsook voor de intensiteit van haar optredens. In de vroege jaren 1980 vertolkte Tatiana wereldberoemde rollen zoals die van Adalgisa in Bellini’s “Norma”, Octavian in Richard Strauss’s “Der Rosenkavalier” en Didon in Berlioz’s “Les Troyens”.

In 1984 zong ze de wereldpremière van de eerste akte van Rachmaninoff’s opera “Monna Vanna”, georkestreerd door Igor Buketoff.

Lees verder »

Tags : , , , ,
Geplaatst op 22 februari 2010 - 0 reacties op dit artikel.

Fassbaender, Brigitte (1939)

brigitte-fassbaenderBrigitte Fassbaender (3 juli 1939, Berlijn) is een mezzo-sopraan operazangeres en sinds 1995 theaterdirecteur. Ze heeft de titel van ‘Kammersängerin’ van de Beierse Staatsopera in München en van de Weense Staatsopra.

Brigitte is de dochter van de filmactrice Sabine Peters en de beroemde Duitse bariton Willi Domgraf-Fassbaender. Na de Tweede Wereldoorlog vestigde het gezin zich in Neurenberg. Haar vroege carrière beleefde Brigitte in München.

Carrière

Brigitte Fassbaender studeerde zang met haar vader, Willi Domgraf-Fassbaender, aan het conservatorium van Neurenberg. Ze sloot aan bij de Beierse staatsopera van München in 1961, waar haar eerste hoofdrol die van Nicklausse was in “The Tales of Hoffmann”. Brigitte zong “Der Rosenkavalier” in München in 1967, die rol lanceerde haar internationale carrière. In 1971 zong ze in Covent Garden en in 1974 maakte ze haar debuut in de Metropolitan Opera.

Naast haar triomfen in de opera, kende Brigitte ook succes als concertzangeres en ze zong de rol van Prins Orlofsky in de filmproductie van “Die Fledermaus” van Strauss in 1984. Ze nam tientallen opera’s op (o.a. Schubert’s “Winterreise” en “Schwanengesang”), oratoria (Bach’s “Christmas Oratorio”, Handel’s “Messiah”) en verscheel in talloze tv-producties. Brigitte gaf daarnaast ook les.

In de afgelopen had Brigitte enkele leidinggevende posities. Ze was van 1995 tot 1997 operadirecteur aan het Staatstheater Braunschweig. In 1999 werd ze ‘Intendatin’ van het ‘Tiroler Landestheater’ in Innsbruck.

Tags : , , , , , , , ,
Geplaatst op 20 februari 2010 - 0 reacties op dit artikel.

Garden, Mary (1874-1967)

mary-gardenMary Garden (20 februari 1874 – 3 januari 1967) was een Schotse sopraan die een aanzienlijke carrière in de opera uitbouwde in Frankrijk en Amerika tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw. Ze bracht het merendeel van haar kindertijd en jeugd door in de Verenigde Staten van Amerika en werd een Amerikaans burger. Toch leefde ze vele jaren in Frankrijk en ging ze na haar pensioen in Schotland wonen.

Mary werd omschreven als ‘de Sarah Bernhardt van de opera’. Ze was een uitzonderlijke actrice en een getalenteerde zangeres. Ze werd vooral bewonderd omwille van haar genuanceerde vertolkingen waarbij ze speelde met klankkleuren. Gezegend met een prachtige en flexibele stem kende ze haar eerste successen in Parijs. Ze werd de lijdende sopraan in de Opéra-Comiqe. Ze vertolkte rollen in verschillende wereldpremières, waaronder die van Mélisande in Claude Debussy’s “Pelléas et Mélisande” (1902). Ze werkte nauw samen met Jules Massenet, in wiens opera’s ze uitblonk. Massenet schreef speciaal voor haar een hoofdrol in zijn opera “Chérubin” (1905).

Lees verder »

Tags : , , , , , , , , ,
Geplaatst op 12 februari 2010 - 0 reacties op dit artikel.

Fremstad, Olive (1871-1951)

olive-fremstadOlive Fremstad (14 maart 1871 – 21 april 1951) was de artiestennaam van Anna Olivia Rundquist, een gevierde Zweeds-Amerikaanse mezzo-sopraan en sopraan operazangeres.

Achtergrond

Olive Fremstad werd geboren in Stockholm en geadopteerd door een Amerikaans koppel. Dit stel leefde in Minnesota en gaf aan Olive hun familienaam: Fremstad. In Christiana bezocht Olive de lagere school en ging ze naar de muziekschool. Toen Olive 12 jaar was, verhuisden haar ouders naar Amerika, naar Minneapolis. Reeds daarvoor was het pianospel van Olive zo bijzonder dat ze werd beschouwd als een wonderkind. Ze begon met zanglessen te volgen in New York in 1890 nadat haar stem werd opgemerkt toen ze zong in kerkkoren. Later studeerde ze in Berlijn met Lili Lehmann. Ze maakte haar operadebuut als mezzo-sopraan met de rol van Azucena in Verdi’s “Il trovatore” in de opera van Keulen in 1895. Ze bleef er drie jaar en ging daarna naar Wenen, Munchen, Beiroet en Londen.

Lees verder »

Callas, Maria (1923-1977)

maria-callasMaria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos (Grieks: Μαρία Άννα Σοφία Καικιλία Καλογεροπούλου), beter bekend onder haar artiestennaam Maria Callas (Grieks: Μαρία Κάλλας) (Brooklyn (New York), 2 december 1923 – Parijs, 16 september 1977) was één van de beroemdste operazangeressen van na de Tweede Wereldoorlog.

Maria Kalogeropoulos werd geboren in New York. De achternaam Kalogeropoulos werd eerst ingekort tot “Kalos” (wat ook op haar geboortecertificaat staat dat onlangs is teruggevonden), hetgeen later werd vervormd tot “Callas”. De jonge Maria reisde in 1937 met haar moeder mee terug naar Griekenland en kreeg daar haar eerste zangopleiding in Athene. Hoewel ze voor het Atheens Conservatorium niet werd aangenomen kon ze aan het werk bij het Grieks Nationaal Conservatorium. Ze was in die tijd mollig en droeg een bril met dikke glazen. Haar eerste zangpedagoge Maria Trivella besloot dat ze geen alt, maar een dramatische sopraan was. Callas werkte zeer hard en boekte snel vorderingen. Op 11 april 1938 gaf ze haar eerste openbare optreden, met een stukje uit Tosca. In 1939 ging ze alsnog aan het Atheens conservatorium studeren, onder Elvira de Hidalgo. In 1942 zong ze de hoofdrol in Tosca. Binnen tien jaar zou ze bekend staan onder de bijnaam la divina – de goddelijke.

In 1949 trouwde ze met Giovanni Battista Meneghini, een oudere rijke industrieel uit Milaan. Het huwelijk duurde tot 1959. In haar jonge jaren was ze nog steeds erg mollig; tussen 1953 en 1954 verloor ze echter ongeveer 36 kilo en kreeg ze het slanke postuur van haar latere jaren.

Lees verder »

Tags : , , , , , , ,
Geplaatst op 05 februari 2010 - 0 reacties op dit artikel.

Lind, Jenny (1820-1887)

jenny-lindJohanna Maria Lind (Stockholm, 6 oktober 1820 – Malvern (Worcestershire), 2 november 1887), beter bekend als Jenny Lind, was een Zweedse sopraan.

Reeds op jeugdige leeftijd werd haar zangstem ontdekt. Op negenjarige leeftijd kwam ze in contact met een muziekmeester. Toen ze tien jaar was stond ze voor het eerst op het podium. Op haar zestiende was ze de lieveling van de Zweedse Koninklijke Opera en ze werd succesvol in heel Europa.

In 1850 ging ze naar de Verenigde Staten waar ze onder de hoede van P.T. Barnum rondtoerde. Het succes was overweldigend en ze kreeg de bijnaam “De Zweedse Nachtegaal”.

Ondertussen huwde ze in Amerika met de jonge pianist Otto Goldschmidt. Samen keerden ze in 1852 naar Europa terug en daar bouwde zij haar zangcarrière af. Ze werd filantroop en besteedde een groot deel van het vele geld dat ze verdiende aan liefdadigheid.

Vele zaken werden naar haar vernoemd, waaronder straten, een toetje, een theater in San Francisco, een wijk van Glasgow en een onbewoond eiland ten noorden van Canada, Jenny Lindeiland.

Tags : , , , , , ,
Geplaatst op 04 februari 2010 - 0 reacties op dit artikel.

Diva’s

ABC

diva'sDe term “diva” was oorspronkelijk een Italiaans woord dat “godin” betekende. In de Italiaanse operacultuur, werd het woord gebruikt om een sterfelijke vrouwelijke goddelijkheid aan te duiden: een soprano met een uitzonderlijke muzikale virtuositeit en met een grandioze flair, een zangeres die met haar opvoeringen de emoties van haar publiek raakte en die vaak fanatiek en obsessief werd bewonderd door haar fans.

In de twintigste eeuw, vooral dan in de Verenigde Staten, werd de term “diva” ook gebruikt voor populaire zangeressen, bijvoorbeeld Judy Garland (1922-1969), Billie Holliday (1915-1959) of Dusty Springfield (1939-1999). Hun vermogen om in te spelen op de gevoelens van hun publiek en hun persoonlijke tragedies maakten dat ze bewonderd werden door hun fans die zich ook identificeerden met de sterren.

Meer recent werd de term “diva” minder belangrijk omdat deze nu gebruikt wordt voor bijna elke vrouwelijke ster die haar emoties toont of die het te bont maakt.

Toch heeft de diva altijd een belangrijke rol gespeeld in de holebi-cultuur als onderwerp van cult-verering. Zij die lijden onder de pijn van verboden liefde en een maatschappij die hen niet wilt aanvaarden, herkennen zich in die persoon en vinden er soelaas bij. Op die manier is de diva voor haar holebi-fans een sterfelijke goddelijkheid.

Operadiva’s

Opera heeft lang een zekere aantrekkingskracht gehad op holebi’s en dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat opera altijd een ruimte creëerde waarin de grenzen van geslacht, gender en seksualiteit vaak vervaagden.

De castrati, dat zijn gecastreerde zangers die zegevierden in de achttiende eeuw en die ook hun eigen groepen fans hadden, speelden heroïsche mannenrollen én vrouwenrollen op plaatsen waar vrouwen vaak niet op de planken mochten komen.

In hun kielzog begonnen vrouwelijke mezzo-soprano’s en contralto’s in de negentiende en begin de twintigste eeuw mannenrollen te spelen in opera’s. Daardoor creëerde de opera een respectabele plaats waar holebi’s zich konden goed voelen.

Toch was de verafgoding van diva’s oorspronkelijk geen holebi-uitvinding. Tegen de negentiende eeuw waren er verschillende prima donna’s met hun eigen groepen van devote fans, gelijkaardig aan de fans van de hedendaagse film- en muzieksterren. Het beeld van de diva als een flamboyante, extravagante en temperamentvolle sterke vrouw begon zich te vormen.

Maria Malibran lonkte allerlei gevoelens los bij haar fans

Maria Malibran lonkte allerlei gevoelens los bij haar fans

Maria Malibran (1808-1836), haar zus Pauline Viardot (1821-1910), Giula Grisi (1811-1869) en Jenny Lind (1820-1887) lokten allen overweldigende emoties los bij hun fans, van welke seksuele geaardheid of achtergrond ook. Deze universele aantrekkingskracht had waarschijnlijk veel te maken met het feit dat opera een populaire kunstvorm was in de negentiende eeuw.

Toen de twintigste eeuw zich aandiende, kwamen er andere vormen van vermaak en werd de verafgoding van diva’s steeds meer een kenmerk van de holebi-cultuur. Vele belangrijke diva’s uit die tijd werden verondersteld zelf lesbisch of biseksueel te zijn.

De verafgoding van diva’s door lesbiennes

Zelfs nog voor de komst van de Hollywood-filmsterren, was de theatrale prima donna vaak het idool van bewonderende vrouwelijke fans. In de vroege twintigste eeuw was veel van deze homo-erotische ophemeling gericht naar twee figuren: de Zweedse soprano Olive Fremstad (1871) en de Schotse soprano Mary Garden (1874-1967). Beiden waren vrouwen met een dubbelzinnige seksualiteit die waren gespecialiseerd in het vertolken van provocatieve, geslachtsonduidelijke rollen.

Olive Fremstad was het best bekend om haar Wagneriaanse heldinnen en haar verleidsters (Brunnhilde, Kundry, Ortrud, Venus) en voor haar rollen in Carmen, Tosca en Salome. Na haar terugkeer naar de Verenigde Staten in 1903 werd ze één van de grootste sterren in de Metropolitan Opera, waar ze in 1907 te zien was in het “schandaalstuk” Salome, een opera gebaseerd op het decadente toneelstuk van Oscar Wilde.

Mary Garden stond geboekstaafd omwille van haar doortastende stijl en ze was de belangrijkste vertolkster van veel immorele vrouwelijke rollen van de Franse opera. Ze speelde ondermeer de hoofdrollen in “Louise” van Gustave Charpentier, “Pelléas et Mélisande” van Claude Debussy en “Manon”, “Thaïs”, “Sapho” en “Cléopâtre” van Jules Massenet.

Mary Garden werd gevierd omwille van haar mannenrollen. In 1907 maakte ze haar Amerikaanse debuut en van 1910 tot haar pensioen in de jaren 1930 was ze de belangrijkste soprano in de opera van Chicago.

Geen van beiden trouwde ooit en hun geaardheid was vaak het onderwerp van roddels. Olive Fremstad leefde een aantal jaren samen met haar secretaresse Mary Watkins Cushing. Hun relatie werd geromantiseerd in “Of Lena Geyer” van Marcia Davenport uit 1936. Een meer heroïsch portret van haar werd gemaakt in “The Song of the Lark” uit 1915 door Willa Cather, een lesbische operafan. Van Mary Garden werd er gefluisterd dat ze een lesbienne was.

Het blijft gissen over de geaardheid van deze vrouwen. Wat wel van betekenis is, is de rol die deze vrouwen speelden bij hun vooral vrouwelijk publiek omwille van hun lesbo-erotische opvoeringen.

De verafgoding van diva’s door lesbiennes was bijna steeds gericht op zangeressen die zich hadden gespecialiseerd in het vertolken van heroïsche of geslachtsonduidelijke rollen. Meer recente operadiva’s die vooral geliefd werden door lesbiennes zijn Brigitte Fassbaender, Tatiana Troyanos en Jessye Norman.

De verafgoding van diva’s door homo’s

Het is misschien te veralgemenend om te stellen dat in tegenstelling tot verafgoding van diva’s die door lesbiennes gebaseerd was op lust, de verafgoding van de homo’s gebaseerd is op hun zelfidentificatie met de diva’s. In de holebi-cultuur zijn de grenzen tussen zelf-identificatie en lust vaak vaag.

In tegenstelling tot de verafgoding door lesbiennes, hebben de homo’s zich steeds gefocust op meer kwetsbare figuren, die je zou kunnen omschrijven als “tragedie koninginnen”. Bewijs hiervan is de blijvende verafgoding van de homo’s voor Maria Callas (1923-1977), die bij haar fans bekend is als “la Divina”.

Zij was zonder twijfel één van de meest opmerkelijke zingende actrices van de twintigste eeuw en ze was gespecialiseerd in het vertolken van onfortuinlijke en emotioneel fragiele vrouwenrollen. De tragedies die ze vertolkte, maakte ze ook mee in haar persoonlijke turbulente leven, met haar veelbeschreven romantische relaties, haar liefdesbreuken en uiteindelijk het verlies van haar stem.

Deze verafgoding van Callas had te maken met een complex systeem van psychische associaties, die voortkwam uit het homoleven, met dan vooral de sociale marginalisatie. Verder hebben minderheidsgroepen de neiging om een bepaalde nood te hebben aan cult-iconen waarmee ze zich kunnen identificeren als een antwoord op hun eigen uitsluiting uit “de gewone maatschappij”.

Een andere uitleg is dat homo’s, die maar al te vaak door de maatschappij verworpen worden, zich aangetrokken voelen tot diva’s omdat deze buitengewone figuren een catharsis belichamen, of het nu op het toneel is of in hun privé-leven, van al de pijn, vernederingen en het lijden dat bijna een onvermijdelijke grote rol speelt in het leven van de homo’s.

De uitbreiding van de diva-cultus

Na de Tweede Wereldoorlog werden niet enkel vrouwen uit de opera diva’s, maar ook vrouwen uit de populaire muziek. Holliday, Garland en Springfield bijvoorbeeld lokten ook grote emoties los bij hun optredens, hadden ook problemen in hun privé-levens, werden misbruikt en stierven veel te jong… zij hadden allemaal een grote schare aan homo-volgelingen. Dusty Springfield, zelf een lesbienne, had ook een grote groep van lesbische volgelingen.

De titel “diva” heeft veel van zijn betekenis verloren in de recente jaren en dat is voor het overgrote deel te wijten aan de massamedia. De houding van een zangeres is veel belangrijker geworden dan haar virtuositeit. Heel wat jonge popzangeressen noemen zichzelf een diva. Het lijkt er zelfs op dat men zelfs geen vrouw meer moet zijn, laat staan een zangeres, om zichzelf een diva te noemen.

Dat wil niet zeggen dat er geen diva’s meer zijn die deze titel verdienen. Enkele grote diva’s onder de moderne operazangeressen zijn Renée Fleming, Deborah Voight, Lorraine Hunt Lieberson, Kathleen Battle, Susan Graham en Jane Eaglen. En er zijn ook grote popdiva’s, waaronder Barbra Streisand, Dolly Parton, Bette Midler, Cher, Celine Dion en natuurlijk Madonna, waarvan vele een grote groep holebi-fans hebben.

Zolang holebi’s gediscrimineerd worden, zullen ze diva’s nodig hebben, een kathartische figuur die hun vreugde en pijn belichaamt.