San Franciso geniet al zeker sinds 1964 de onbetwiste reputatie van “holebiparadijs”. In dat jaar publiceerde het “Life”-magazine een baanbrekend hoofdartikel, getiteld “Holebiseksualiteit in Amerika”, dat de stad bij de baai tot “holebihoofdstad” van de Verenigde Staten uitriep. Die karakterisering vloeide gedeeltelijk voort uit het feit dat de twee leidende nationale organisaties voor holebi’s – de “Mattachine Society” en de “Daughters of Bilitis” – al sinds 1950 hun hoofdzetel in San Francisco hadden.
De aanwezigheid van deze organisaties in San Francisco weerspiegelde een beduidende toename in holebiseksuele zichtbaarheid in de San Francisco Bay Area tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog. San Francisco lijkt niet erg verschillend geweest te zijn met andere belangrijke Amerikaanse havensteden in termen van haar holebiseksuele en transseksuele subculturen; met andere woorden, deze subculturen waren aanwezig maar waren echter geen karakteriserend kenmerk van de stad in de bredere culturele verbeelding. Vóór het midden van de twintigste eeuw konden de subculturen van seksuele minderheden in San Francisco niet concurreren met de complexiteitsniveau’s die gevonden konden worden in oudere, eerder gevestigde Oostkust-steden, in het bijzonder New York.
Vroege geschiedenis
Er is weinig documentatie bewaard gebleven van de Indiaanse, Spaanse en Mexicaanse periodes in San Francisco’s geschiedenis, hoewel de eerste Spaanse missionarissen melding maakten van het bestaan van de zogenaamde “berdache” of “twee-geest” traditie bij de inheemse Ohlone stam.
De beginperiode van de Anglo-heerschappij, die ingeluid werd met de verovering van Californië tijdens de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog van 1846-1848 en de snelle toevloed van VS-burgers tijdens de goudkoorts van 1849, levert ook weinig bewijs van holebiseksualiteit, hoewel men veel kan opmaken uit haar ongedocumenteerd bestaan.
De immigratie naar Californië was tot laat in de jaren 1850 bijna uitsluitend mannelijk, en het merendeel van de weinige vrouwelijke immigranten ware prostituees. In zo’n seks-gescheiden en vrij gesloten omgevingen, voornamelijk waar man-vrouw seksualiteit vooral op commerciële basis gedragen wordt, neigt er in grote mate situationele homoseksualiteit tussen mannen aanwezig te zijn. In San Francisco was er ook een goed gedocumenteerde aanwezigheid van vrouwelijke individuen die leefden en werkten als mannen. In 1876 bijvoorbeeld, leidde Jeanne Bonet, die in mannelijke kledij leefde, een bende ex-prostituees die, volgens de sensationele journalist Herbert Asbury, “niets met mannen te maken hadden”.
De ongewone geslachtsindeling van de bevolking in San Francisco in het midden van de negentiende eeuw droeg bij tot de ontwikkeling van een uitgebreide prostitutiebuurt, de legendarische “Barbary Coast”, wat San Francisco als snel de reputatie van een “zeer open stad” opleverde. De geringe openheid van een schuine, half publieke seksuele cultuur in San Francisco, alsook de maritieme economie en haar ontluikende, onconventionele literatuur en toneelscènes, droegen vóór de twintigste eeuw bij tot de ontwikkeling van rijke holebiseksuele en transseksuele subculturen. Asbury merkt op dat de bordeels langsheen de “Commercial Street” in het bijzonder “frequent bezocht werden door geperverteerde personen” zoals mannen die vrouwenkledij droegen, en dat populaire erotische seksshows zowel mannelijke als vrouwelijk entertainers hadden “die ertoe bereid waren alles te doen wat hun erotische fantasieën hun oplegden”.
Het is moeilijker om de geschiedenis van lesbiennes te achterhalen omwille van de algemene uitsluiting van vrouwen uit het arbeidsleven en openbare leven – behalve prostituees – wat het moeilijker maakte voor vrouwen om seksuele levens voor zichzelf te creëren onafhankelijk van de vereisten van het familieleven, het opvoeden van de kinderen en het huishouden. Het lijkt echter toch dat “passionele vriendschappen” tussen vrouwen in deze periode soms seksuele expressie omvatten, maar dit aspect van het leven van vrouwen werd zelden geregistreerd.
De voorlopers van de moderne subculturen
De voorlopers van de moderne holebiseksuele en transseksuele subculturen in San Franciso dateren van ongeveer de twintigste eeuwwisseling. Edward Irenaeus Prime-Stevenson, die schreef onder het pseudoniem Xavier Mayne, beschreef in “The Intersexes: A History of Similisexualism as a Problem in Social Life” de ongeremde homoprostitutie tussen soldaten die zich verzamelden in San Francisco’s presidio tijdens de Spaans-Amerikaanse oorlog van 1898.
Charles Warren Stoddard, een lid van San Francisco’s literaire elite, publiceerde de onbeschroomd homoërotische en autobiografische roman, “For the Pleasure of His Company: An Affair of the Misty City”, in 1903.
Een verslaggeefster uit San Francisco van de eminente Duitse sexuoloog Magnus Hirschfeld, beschreef in 1905 haar leven als een transseksueel persoon die soms een pension openhield voor meisjes die in een dancing werkten.
Kort na de grote aardbeving en brand van 1906, reisde een jonge San Franciscaanse genaamd Alice B. Toklas met haar vriend naar Parijs, waar ze voorgesteld werd aan de in Oakland geboren Gertrude Stein, waarna Toklas en Stein één van de meest publieke, gevierde en langst durende lesbische relaties ooit gekend begonnen.
In 1908 werd The Dash, een bar en dancing in het Barbary Coast district, door de politie gesloten omdat er naar verluidt travestieten toegelaten werden om op de tafels de dansen en die klanten toelieten orale seks men hen te hebben onder hun opgeheven rokken.
Wereldoorlog I en de opkomst van moderne subculturen
Wereldoorlog I bracht ingrijpende veranderingen met zich mee voor San Francisco’s seksuele cultuur. In samenwerking met de militaire autoriteiten die bezorgd waren over de verspreiding van geslachtsziekten tussen troepen, en sociale zuiverheidshervormers die betrokken waren bij drankverbod en anti-prostitutiecampagnes, sloten stadsbeamten in 1917 de Barbary Coast. Veel van de prostitutiehandel werd clandestien en verplaatste zich naar het Tenderloin district, onmiddellijk ten noorden van de Market Street, de belangrijkste handelsverkeersader van de stad, waar het gecontroleerd en gereguleerd werd door corrupte leden van San Francisco’s politie.
Het was in de speakeasies en gin bars van Tenderloin tijdens het tijdperk van de drooglegging dat San Francisco’s moderne holebicultuur vorm kreeg. Wanneer de prohibitie opgeheven werd in 1933, openden er snel een aantal homobars in Tenderloin, wat het epicentrum bleef van de homobarcultuur tot in de jaren 1960. Een van de etablissementen in Tenderloin, Finnochio’s, een travestieclub, verplaatste zich naar het nieuwe onconventionele district, Nort Beach, dat opdook in het vroegere Barbary Coast. Finnochio’s hield stand tot 1999.
In het North Beach amusementsdistrict vestigde zich ook het in San Francisco eerst gekende lesbische etablissement, Mona’s, waar transvestiete vrouwelijke artiesten en personeel te gast waren. Tussen de jaren 1930 en 1950 bestonden holebiseksuele en transseksuele subculturen in nauwe samenwerking met nachtclubs zoals Mona’s en Finnochio’s, wat tegelijkertijd inspeelde op de noden van de toeristen die op zoek waren naar ‘risqué experimenten, alsook de leden van seksuele subculturen die sociale ruimte zochten.
Homo’s mannen en lesbiennes leefden ook in de buurt van North Beach, vooral zij met een artistiek en literair bewustzijn. Elsa Gidlow, die er leefde tussen 1926 en 1954, schreef het eerste volume expliciet lesbische dichtkunst, On a Grey Thread, dat gepubliceerd werd in Noord-Amerika in 1923. Haar directe vriendenkring bevatte de schrijvers Kenneth Rexroth en Lincoln en Una Jeffers, en ze was verslaggeefster van Radclyffe en Una Trowbridge, die ze leerde kennen tijdens een jaartje buitenland in Parijs.
Wereldoorlog II
Wereldoorlog II bracht verdere ingrijpende veranderingen met zich mee voor San Francisco’s seksuele ecologie. Zoals de historicus Allan Bérubé heeft aangetoond, speelde de oorlog zelf een cruciale rol in de vorming van nieuwe seksuele indentiteitsgemeenschappen door grote aantallen homo’s als het ware bij elkaar te gooien die associatieve netwerken vormden op basis van hun gedeelde seksualiteit, en creëerde aanzienlijk wat nieuwe werkgelegenheid in oorlogsindustrieën voor alleenstaande vrouwen, inclusief lesbiennes.
Als één van de belangrijkste administratieve centra van het oorlogse Pacific theater van militaire acties, werd San Francisco een ware dumpplaats voor homo’s die op eerloze wijze uit hun militaire dienst ontzet werden. In het Treasure Island Naval Hospital in San Francisco Bay voerden medische en psychologische experts niet-consensuele tests uit op vele van deze mannen, in de hoop de “oorzaken en remedies” van homoseksualiteit te ontdekken.
Oog in oog met het vooruitzicht om met eerverlies naar huis te keren, of te blijven in wellicht de meest pittoreske stad van de Verenigde Staten, kozen veel homoseksuele veteranen uit Wereldoorlog I voor de laatste optie. In de laten jaren 1940, beschreef een roddelblad van San Francisco deze demografische trend met de schokkende krantenkop, “Homos Invade S.F.!” (Homo’s dringen San Francisco binnen!).
De Homophile Movement en de alternatieve cultuur in de jaren 1950
In de jaren 1950 werd San Francisco de thuisstad van de eerste nationale organisaties voor holebiseksuele rechten, alsook van een oprijzende alternatieve cultuur die seksuele diversiteit zegevierde. “The Mattachine Society”, een mannenorganisatie die opgericht werd door de homoseksuele communist Harry Hay in Los Angeles in 1950, verplaatste haar nationaal hoofdkwartier naar San Francisco tussen 1954 en 1957, nadat politiek gematigde en conservatieve elementen in de organisatie in de clinch lagen met haar radicale stichters.
Tezelfdertijd richtten Del Martin en Phyllis Lyon in 1955 “The Daughters of Bilitise” op, een nationale organisatie voor lesbiennes vrouwen. De oprichting van de andere holebiseksuele groeperingen, zoals “The Society for Individual Rights en the Council on Religion and the Homosexual” maakten San Francisco in de jaren 1960 tot het centrum van georganiseerd holebiseksueel politiek leven in de Verenigde Staten. Een politierazzia in 1965 van een geldinzamelingsbal voor het CRH gesteund door de liberale clerus van San Francisco, zorgde voor heel wat negatieve publiciteit voor de politie, maar zorgde er mede voor dat de holebiseksuele rechten een plaatsje kregen op de progressieve politieke agenda van San Francisco.
In het verlengde van deze nooit eerder gekende groei van organisaties, hielp San Francisco’s langgevestigde reputatie als toevluchtsoord voor radicalen, zonderlingen en dromers een nieuwe alternatieve ‘beatnik’ cultuur in de jaren 1950 – deze werd algemeen bekend via panseksuele literaire figuren zoals Allen Ginsberg en Jack Kerouac – staande te houden.
Het begin van politiek activisme
Het onconventionele milieu van het Black Cat Café bracht één van de meest invloedrijke samensmeltingen van alternatieve culturele stijl met politek activisme voort, nl in de persoon van José Sarria, een Mexicaans-Amerikaanse transvestiet die er opdiende en erg populaire zondagnamiddagse “opera’s” met politieke en sociale satire opvoerde.
Toen de eigenaar van de Black Cat, Sol Stoumen, in de vroege jaren 1960 verwikkeld raakte in een geschil omwille van zijn steun aan holebiseksuele cafe-eigenaars die zich onlangs verzameld hadden om te protesteren tegen de politiepraktijken nl het vragen van steekpenningen als een voorwaarde om de zaken draaiende te mogen houden, sloot Sarria zich hierbij aan. In 1961 was Sarria openlijk homoseksueel kandidaat voor San Francisco’s Board of Supervisors (bestuur van stadssecretarissen), om zo de aandacht te kunnen vestigen op de pesterijen van de politie jegens holebivriendelijke etablissementen. Hij won de verkiezing niet, maar hij kreeg wel 5600 stemmen en maakte hiermee duidelijk dat homostemmen aangesproken konden worden voor electorale politiek.
Het “gayola” schandaal dat Sarria ertoe aanzette zich kandidaat te stellen voor een publiek ambt, zorgde er mede voor dat de eerste holebi-nieuwsbladen in de Verenigde staten – “Guy Strait´s League for Civil Education” en “Citizen’s News” – alsook de eerste vereniging voor homoseksuele zakeneigenaars – Tavern Guild – gelanceerd werden. Later richtte Sarria het “Imperial Court System” op – de op heden oudste homo-filantropische organisatie ter wereld – dat travestiete galabals organiseert om geld bijeen te rapen voor verschillende doeleinden. Transseksuelen begonnen zich ook te organiseren en vonden een politieke stem in San Francisco in de jaren 1960. Sinds de jaren 1950 trokken transseksuelen, die toegang zochten tot het verkrijgen van hormonen en geslachtsoperaties, naar de stad gezien de aanwezigheid daar van Dr. Harry Benjamin, werelds’ leidend medisch expert in transseksualiteit, die zijn praktijk had op het dure Union Square.
In augustus 1966, drie jaren voor de beter gekende opstand in New York’s Stonewall Inn, schopten transseksuelen uit het Tenderloin-district herrie in het populaire nachtrestaurant Compton’s Cafeteria als reactie tegen de politie-onderdrukking. Velen van de militante ritselaars en travestieten die betrokken waren in de relletjes, waren leden van de Vanguard, de eerst gekende homoseksuele jeugdorganisatie in de Verenigde Staten, die eerder dat jaar opgericht werd met de hulp van radicale ministers die samenwerkten met de Glide Memorial Methodist Church, een centrum voor progressief sociaal activsme in het Tenderloin-district.
In de nasleep van de rellen in Compton’s, werd er een netwerk van transseksuele, sociale, psychologische en medische ondersteuningsdiensten opgericht, dat zijn hoogtepunt bereikte in 1968 met de oprichting van de National Transsexual Counseling Unit, de eerste evenwaardig geleide ondersteunings- en verdedigingsorganisatie in de wereld.
De nieuwe stijl van holebibevrijdingspolitiek, die begon in San Francisco met de oprichting van de Vanguard en de rellen in Compton’s Cafeteria, won opnieuw aan stootkracht met de oprichting van de Committee for Homosexual Freedom in de lente van 1969 – een aantal maanden voor de Stonewall rellen – dat aanvankelijk weinig publieke aandacht kreeg in de media van San Francisco. Het CHF werd opgericht als reactie op het ontslag van een openlijk homoseksuele man die werkte bij een bedrijf van stoomschepen, en zorgde ervoor dat de nieuwe strategie van “coming out” (ervoor uitkomen) bekend werd als een middel om actie te voeren voor homorechten.
De nieuwe stijl van homobevrijding trok vooral de aandacht van de jeugdgeorienteerde, door rockmuziek gekenmerkte alternatieve cultuur dat wortels schoot in San Francisco’s Haight-Ashbury buurt, waar het heersende karakter van seksuele revolutie en “letting it all hang out” een geknipte omgeving creëerde voor vele babyboomer homo’s en lesbiennes.
“Gay Power” politiek
Tegen de herfst van 1969 hadden de New Left en activisten van studentenbewegingen “gay power” politiek in de Bay Area ingevoerd, maar deze door Stonewall geïnspireerde groep was niet erg voorspoedig. Een oproerig protest tijdens Halloween 1969 tegen het homofobische redactiebeleid van de San Francisco Examiner was één van de meest zichtbare betogingen van holebimacht.
Twee andere hoogtepunten waren het optreden van het Gay Liberation Fronts contingent ‘Holebiseksuelen tegen de Oorlog” tijdens een masaal protest in 1969 tegen de oorlog in Vietnam , en een “Gay-In” dat in 1970 georganiseerd werd in het Golden Gate Park.
Tegen het jaar 1971 was de gay power politiek in handen van Raymond Broshears, een controversieel maar energiek activist wiens Gay Activists Alliciance al haar kracht stopte in het voorzien van sociale diensten in de Tenderloin en Polk Street buurten. Onder Broshears’ stormachtig leiderschap, bevond San Franciscos’s GAA zich buiten de heersende plaatselijke holebipolitiek van de jaren 1970 en werd enkele jaren laten ontbonden.
Gay Pride

Gay pride in San Francisco
Zoals de sociologe Elizabeth Armstrong stelde, kenden de vroege jaren 1970 een verschuiving weg van zowel het homofiele activisme van de jaren 1950 en de vroege jaren 1960 als de meer strijdvaardige bevrijdingsbeweging die begon in San Francisco in 1966. Tegen het jaar 1973 lag de nadruk eerder op “gay pride” (homotrots) dan op “gay power” (homomacht), alsook eerder op culturele identiteit dan op politieke verbintenis met grotere sociale bewegingen.
Het resultaat was de ietwat paradoxale opkomst van belangrijke nieuwe holebiculturele instellingen zoals pride parades en filmfestivals, en de gelijktijdige proliferatie van kleinere belangengroepen die gericht waren op de belangen van een toenemend gefragmenteerde bevolking van seksuele minderheden. Afzonderlijke organisaties en instellingen ontwikkelden zich voor lesbische feministen, biseksuelen, transseksuelen, sadomasochisten, kleurlingen, en een ellenlange lijst van een toenemend aantal complexe en gespecializeerde identiteitsgemeenschappen. De Bay Area telde in 1970 ongeveer 50 organisaties ten voordele van de homoseksuele en lesbische gemeenschap, en bijna 300 organisaties rond 1980.
San Francisco’s gay pride parade begon in 1972, en is nu het grootste publieke holebi-event ter wereld, dat jaarlijks ongeveer een half miljoen mensen aantrekt. Het San Francisco International Lesbian and Gay Film Festival begon in 1977, en is nu het oudste en grootste event van dat soort in de wereld.
Andere gelijkaardige culturele instellingen of symbolen die in deze jaren de kop opstaken in San Francisco zijn o.a. een kapittel van de Metropolitan Community Church, de Gay Men’s Chorus, de Gay and Lesbian Marching Band, de Bay Area Reporter krant, en de regenboogvlag die wereldwijd erkend wordt als een symbool van holebiculturele identiteit. Slechts enkele van de vele gespecializeerde organisaties die opgericht zijn in San Francisco in de jaren 1970 zijn de S/M verdedigingsgroep Society of Janus, het Bisexual Center, en de Gay Latino Alliance.
Lesbische feministische organisaties en publicaties kenden geen opbloei in San Francisco in de jaren 1970, gedeeltelijk omwille van de hoge leef- en werkkost in de stad, in combinatie met de gevolgen van de seksistische tewerkstellingsdiscriminatie jegens vrouwen; de belangrijkste lesbische feministische organisaties en publicaties in de Bay Area bevonden zich in de omgeving van Berkeley, Oakland, San Jose en Santa Cruz.
Een opmerkelijke uitzondering op deze tendens vormde de opkomst van een gemeenschapsenclave van vrouwen langsheen Valencia Street in het Mission District van de stad. Met steun van baanbrekende organisaties zoals de boekenwinkel Old Wives’ Tales, het Artemis Café, en de San Francisco Women’s Building, kreeg een bloeiende vrouwengerichte buurt vorm, die tegen de jaren 1980 de seksshop Good Vibrations, Osento Bath House, de kantoren van het On Our Backs magazine en de lesbische eventkalender Coming Up!, en Amelia’s – één van de meest bekende en langst bestaande lesbische bars in de stad – omvatte.
Harvey Milk en homoseksuele buurten

Harvey Milk
Homopolitici behaalden opnieuw succes met de verkiezing van een openlijk homoseksuele man, Harvey Milk, in San Francisco’s Board of Supervisors in 1977. Milks electorale succes was vooral te wijten aan de overgang van over de hele stad verspreide verkiezingen naar verkiezingen per district, wat hem ertoe in staat bracht de dichte concentratie van homostemmen in de Castro buurt te benutten.
De Castro buurt was in de jaren 1970 voornamelijk een homobuurt, gevoed door de migratie van duizenden babyboomers naar San Francisco in de laten jaren 1960 en de vroege jaren 1970, maar het was in geen geval de enige homo-enclave.
De South of Market buurt was de thuisbasis van vele motorbars sinds het begin van de jaren 1960, en Polk Street vlakbij het Civic Center in de binnenstad was al bijna even lang de thuis van homoritselaars. Bourgeois lesbische residentiële buurten kregen ook vorm in de periferie van Castro nl. in Noe Valley en Bernal Heights.
Milk was ertoe in staat het nodig aantal homoseksuele en lesbische stemmers in zijn district te mobiliseren, om hem in het stadsbestuur te katapulteren. Zijn ambtstermijn als verkozen ambtenaar was geen lang leven beschoren. Na elf maanden mandaat, werden Milk en George Moscone – de burgemeester van San Francisco – vermoord op 27 november 1978, door voormalig stadssecretaris Dan White.
Wanneer White veroordeeld werd wegens doodslag eerder dan wegens moord, en hij een lichte straf kreeg, braken er rellen uit in het gemeentehuis in de nacht van 21 mei 1979. Als antwoord op de “White Night” rellen, organiseerden politieofficieren uit San Francisco een vergeldingsactie in de Castro, waar ze eigendommen vernielden en voorbijgangers op straat afranselden.
Verzet
Het geweld dat gepleegd werd tegen Harvey Milk maakte deel uit van een breder patroon van verzet tegen de homoburgerrechterlijke verworvenheden in de jaren 1970. In de late jaren 1970 waren er een aantal brandstichtingen in instellingen van holebigemeenschappen, alsook minstens één politiek gemotiveerde moord. Vier aanvallers sloegen Robert Hillsborough, een homoseksuele man, dood voor zijn huis in het Mission District, terwijl ze “Deze is voor Anita!” uitschreeuwden, waarbij ze verwezen naar de herboren christen en voormalig schoonheidskoningin Anita Bryant die op dat moment een campagne lopen had tegen een decreet voor holebirechten in Florida.
San Franciscanen speelden een leidende rol in de succesvolle poging om Florida sinaasappelsap te boycotten, waardoor Bryant haar job als woordvoerder bij Florida Citrus Growers’Association verloor. Ze speelden ook een belangrijke rol in de succesvolle campagne tegen Voorstel 6, het zogenaamde Briggs Initiative, dat homo’s en lesbiennes het recht ontnomen zou hebben om les te geven in de openbare scholen van California.
AIDS en de wederopstelling van politiek bewustzijn

De Aids Walk in San Francisco
Een artikel dat op 4 juli 1981 verscheen in het Morbidity and Mortality Weekly Report (Het wekelijks verslag van morbiditeit en mortaliteit) van het Center for Disease Control en dat de aandacht vestigde op ongewone clusters van Kaposi’s sarcoom en pneumocystis pneumonie bij homoseksuele mannen in San Francisco, Los Angeles, en New York, uitte het officiële bewustzijn van een epidemie die eerst bestempeld werd als GRID en later de naam AIDS kreeg. De homogemeenschap in San Francisco maakte deel uit van de hardst getroffen gemeenschappen in het vroege stadium van de epidemie, en speelde ook een leidende rol in het ontwikkelen van een antwoord op deze epidemie.
Het zogenaamde “San Francisco Model”, dat bestond uit inspanningen op het vlak van opvoeding en preventie, in combinatie met de publieke mobilisatie om op gemeenschap gebaseerde organisaties op te richten die tot doel hadden aan de noden van de volksgezondheid – die niet door de regering aangesproken werden – te voldoen, werd al snel aangenomen door gemeenschappen overal in de Verenigde Staten en wereldwijd. San Francisco bleef het centrum voor AIDS-onderzoek, en is de thuishaven van zowel de San Francisco AIDS Foundation als het Center for AIDS Prevention Studies aan de medische faculteit van de University of California-San Francisco.
De strijd tegen de AIDS-epidemie transformeerde de politiek van seksuele identeit in San Francisco, en overbrugde in beperkte mate sommige van de op identiteit gebaseerde verschillen die ontstonden in de jaren 1970. De epidemie bracht nieuwe vormen van activisme voort – vooral vertegenwoordigd door ACT UP, en later door Queer Nation and the Lesbian Avengers – doordat het een nieuwe onderzoek vereiste van de relatie tussen identeit en bredere sociale omstandigheden zoals racisme en armoede.
De wederopstelling van het politieke bewustzijn, in combinatie met een complexere zin voor identeit, was de inspiratie voor een nieuwe golf van activisme bij de post-baby boomers in de jaren 1990, wat bijdroeg tot de wederheropstelling van de gemeenschap in die zin dat het meer biseksuele en transseksuele mensen zou bevatten. Het Bay Area Bisexual Network, Transgender Nation, en de Intersex Society of North America dateren allemaal uit deze periode. Tegen het midden van de jaren 1990 was het de rigueur geworden om niet meer te spreken over een homo- en lesbische gemeenschap, maar eerder over een GLBT gemeenschap of zelfs een gemeenschap van mensen die “homoseksueel, lesbisch, biseksueel, transseksueel, interseksueel, exentriek, vragend en geallieerden” waren.
Culturele en politieke macht
Tegen het begin van de jaren 1990 was San Francisco’s holebigemeenschap, die volgens sommige schattingen zo’n 10 tot 15% van de hele stadbevolking omvatte, een groep met nooit eerder gekende politieke, economische en culturele invloed. Een indicatie van hoe goed de holebigemeesschap wel geïntegreerd was in het sociale web van de stad, was de opening in 1996 van de Hormel Gay and Lesbian Center in San Francisco’s New Main Public Library, het eerste dergelijke centrum in een openbare bibliotheek in de Verenigde Staten.
Het centrum, dat genoemd werd naar de filantroop James C. Hormel, geeft toegang tot een indrukwekkende collectie boeken en manuscripten over holebigeschiedenis en –cultuur. Naar schatting één derde van de Hormel-collectie is in bewaring van de GLBT Historical Society, wiens veel grotere verzameling o.a. series van meer dan 3000 periodieke publicaties omvat, verscheidene duizenden zeldzame boeken, 450 collecties van persoonlijke documenten en organisatorische stukken, honderden mondelinge verhalen, ongeveer 80.000 historische foto’s, honderdduizenden afgedrukte verzamelobjecten zoals posters, folders, brochures, en omslagen van lucifersboekjes, en een groeiende verzameling van kunstvoorwerpen, originele kunst, en textiel. De collecties van de GLBT Historical Society – dat ambitieuze plannen heeft om het eerste museum van holebigeschiedenis en -cultuur ter wereld te openen – komen op de tweede plaats maar zijn in omvang enkel kleiner dan die van het ONE Institute in Los Angeles.
De “lavendelgolf” in San Francisco’s stadsverkiezingen van 1990 bracht de lesbische Carole Migden en Roberta Achtenberg aan de macht in de Board of Supervisors (bestuur van stadssecretarissen), en de homoseksueel Tom Ammiano in de Board of Education (opvoedingscomité). Achtenberg evolueerde richting Washington waar ze een job kreeg in Clinton’s adminisratie, terwijl Migden het tot invloedrijk staatswetgever schopte, en Ammiano later voorzitter van de Board of Supervisors werd; in 1999 eindigde hij tweede in de herstemmingsverkiezing voor burgemeester.
Andere lesbische en homoseksuele stadssecretarissen in de jaren 1990 waren Leslie Katz, Bevan Dufty en Mark Leno, die van dan af op staatsniveau alsook nationaal bekendheid verwierf als progressief lid van de legislatuur in California. De aanwezigheid van openlijk homoseksuele en lesbische politici in het stadhuis en het statengebouw maakte het voor San Francisco mogelijk om mijlpaalwetgeving aan te nemen zoals voordelen voor huiselijke partners, bescherming van burgerrechten en medische voordelen voor transseksuelen.
De éénentwintigste eeuw: succes en nieuwe uitdagingen
Na bijna 10 jaar planning opende het San Francisco LGBT Community Center in San Francisco in 2002 haar deuren van een gebouw van zo’n 4.000 vierkante meter, het eerste LGBT centrum in het land dat volledig gebouwd werd.
Zoals andere niet commerciële organisaties die de holebigemeenschap in San Francisco dienen, kreeg ook het Center te maken met een moeilijke financiële realiteit. De nooit eerder gekende technologisch gedreven ecoonomische hausse van de late jaren 1990, gevolgd door het barsten van de “dot.com” bel in 2001, stuurde de hele nonprofit sector in de Bay Area grondig in de war, waarbij de rente eerst opgedreven werd met 200 tot 300 %, en vervolgens de publieke, oprichtings- en ondernemingssteun tot niets herleid werd.
Bovendien zorgden de fors stijgende woonkosten ervoor dat vele holebi’s geen deel meer konden uitmaken van de markt van San Francisco, waardoor deze naar steden met een lagere woonkost emigreerden, zoals Oakland, of zelf helemaal uit de regio wegtrokken. Het is niet mogelijk om op dit moment te voorspellen wat uiteindelijk de gevolgen zullen zijn van deze economische omstandigheden voor de lange en inspirerende holebigeschiedenis van San Francisco.
Die inspirerende geschiedenis bereikte alweer een mijlpaal op 12 februari 2004, toen, met de richtlijn van Burgemeester Gavin Newsom, San Francisco de eerste regeringsentiteit werd in de Verenigde Staten die huwelijkstoestemming verleende aan koppels van hetzelfde geslacht. Na één week , waarin bijna 3000 koppels van hetzelfde geslacht huwden, diende de stad San Francisco een klacht in tegen de staat van Californië, waarbij het verbieden van huwelijk tussen hetzelfde geslacht op grondwettelijke basis betwist werd.