Nin, Anaïs (1903-1977) 

anaïs-ninDe biseksuele romanschrijfster Anaïs Nin is het best gekend voor haar seksueel openhartige dagboeken en de erotica die naar haar dood gepubliceerd werden.

Nin werd geboren in Neuilly-sur-Seine, een buitenwijk van Parijs, op 21 februari 1903, als enige dochter en het oudste kind van Joaquin Nin, een Spaanse componist en pianist die zijn familie in de steek liet toen ze tien jaar oud was, en Rosa Culmell, een operazangeres en dochter van een welgestelde Cubaanse familie. Rosa vertrok met haar drie kinderen naar New York toen Anaïs elf jaar oud was.

Aan boord van het schip begon Anaïs met het schrijven van een dagboek dat uiteindelijk zou resulteren in 150 delen in meer dan 50 jaar tijd. Hoewel het eerste deel pas gepubliceerd werd in 1966, begon Nin met het schrijven van poëtische fictie gebaseerd op haar dagboeken in 1936.

Nin kende haar meest creatieve periode toen ze samenleefde met haar man, Hugh Guiler, in Parijs, van 1923 tot 1939, vooral toen ze Henry Miller leerde kennen einde 1931. Haar eerste boek, dat ze net beëindigd had toen ze Miller leerde kennen, was “D.H. Lawrence: an Unprofessional Study” (1932)

Uit het bezeten schrijven van haar dagboek in deze periode van seksueel ontwaken – toen ze eerst verliefd werd op June en dan op Henry Miller – kwam een korte poëtische novelle voort (The House of Incest, 1936), en een boek van kortfictie (The Winter of Artifice, 1939). Deze behoren nog steeds tot haar beste fictie.

Hoewel een sterk gecensureerde en gewijzigde versie van haar dagboeken uit deze periode werd samengebundeld tot “Diary I” (1966), verschenen de ongewijzigde delen uit deze periode pas lang na haar dood als “Henry and June” (1986) en “Incest” (1992).

De titel van het laatstgenoemde deel, net zoals de impuls voor het schrijven van haar dagboeken, sproten voort uit seksueel geweld en verwaarlozing door haar geliefde, narcistische vader. Ze begon met het schrijven van haar dagboeken niet enkel om hem terug te winnen, maar om het “brave” meisje te creëren van wie hij zou kunnen houden.

Hoewel ze hem meerdere malen zag toen ze eerst terugkeerde naar Frankrijk, verzoende ze zich pas met hem in 1932. Ze begonnen een seksuele verhouding die zowel door zijn voortdurende uitbuiting van haar gebrek aan liefde alsook door haar recente seksuele ontwaking gestimuleerd werd. Na psychoanalyse verliet ze uiteindelijk haar vader, die overleed in Cuba in 1949.

In de jaren 1949 in New York City voelde Nin zich in de steek gelaten door de gevestigde literaire orde, die meer waardering had voor literatuur met politiek engagement dan studies van innerlijke poëtische personages zoals die van haar. Ze startte haar eigen drukpers in Greenwich Village; hier herpubliceerde ze haar Parijse boeken en een reeks kortfictie, “Under a Glass Bell” (1944).

Ze schreef ook erotische literatuur – toegegeven eerder banaal werk – aan één dollar per pagina, geld dat ze wegschonk aan de jonge en behoeftige artiesten in haar middens. Haar eerste gewone uitgever, Dutton, werd voor haar verzekerd door Gore Vidal, één van haar groeiende groepen van holebiseksuele mannelijke vrienden (waarvan er veel haar geliefde werden).

Nadat ze haar dagboeken aan de kant schoof voor de publicatie van zes romans — “Ladders to Fire” (1946), “Children of the Albatross” (1947), “The Four Chambered Heart” (1950), “A Spy in the House of Love” (1954), “Seduction of the Minotaur” (1961), en “Collages” (1964) — begon ze met de publicatie van haar dagboeken.

Zes delen van haar dagboek verschenen voor haar dood en maakten haar tot een cultfiguur van de feministische beweging, waarbij ze horden publiek aantrok op universiteitscampussen. Hoewel radicale feministen haar bekritiseerden voor haar gebrek aan interesse in politieke en economische kwesties, werden vele lesbiennes haar loyaliteit ten opzichte van openheid en vrijheid van meningsuiting gewaar. Ze sprak vaak over haar aanvaarding van elk soort liefde, waarbij ze zei dat enkel het gebrek aan liefhebben verkeerd was.

Echter vóór de publicatie van haar dagboeken en haar bekendheid, had ze reeds haar eigen vrouwelijke bewustzijn ontwikkeld. Emotioneel en lichamelijk hield ze zowel van mannen als van vrouwen. Hoewel ze homoseksualiteit bij vrouwen ontkent in “Seduction of the Minotaur”, suggereren ongepubliceerde delen van haar dagboek het tegenovergestelde. Gedurende de laatste dertig jaren van haar leven, verdeelde ze haar tijd afwisselend tussen twee echtgenoten, Hugh Guiler in New York City en Rupert Pole in Los Angeles.

Hoewel haar faam gebaseerd is op de erotische literatuur die gepubliceerd werd na haar dood, en haar mysterieuze biseksuele vrouwelijkheid, is haar uitgebreide dagboek haar belangrijkste bijdrage aan de literatuur. De vier delen getiteld “The Early Diary of Anaïs Nin” (1978-1985), die slechts gedeeltelijk gewijzigd werden, geven het beste beeld van de artieste als jong meisje.

Als we ooit mogen hopen op een samenvoeging van haar verkeerd voorgestelde – gecensureerde en ongecensureerde — dagboeken uit haar tienerjaren, zullen we beter in staat zijn de geldigheid in te schatten van Millers’ uitspraak dat haar dagboeken “hun verdiende plaats zouden innemen naast de onthullingen van St. Augustinus, Petronius, Abelard, Rousseau, (en) Proust”.

Vertel anderen over dit artikel :
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Twitter
  • E-mail this story to a friend!
  • Netvibes
  • NuJIJ
  • Technorati

Geef jouw mening

Invulvelden met een (*) zijn verplicht in te vullen.