Hirschfeld, Magnus (1868-1935)

magnus-hirschfeldTijdens zijn wereldreis, die begon in 1930, werd Magnus Hirschfeld in Amerika onthaald als “de Einstein van de seks” en in India als “de moderne Vatsayana uit het Westen”. Op vandaag is zijn leven en zijn werk bijna gewist uit het cultureel geheugen. Toch verdient hij erkenning als belangrijke sekstheoreticus en als de meest vooraanstaande voorvechter van holebi-emancipatie uit zijn tijd.

Om de echte omvang van Hirschfeld´s prestaties op het vlak van theorie en emancipatie te kunnen begrijpen, is het goed om even stil te staan bij zijn motto: “per scientiam ad justitiam” (door wetenschap naar gerechtigheid). Deze uitspraak bevat de sleutel voor zijn omvangrijke seksuele programma dat vertrekt vanuit de bevestiging van de biologische feiten van de menselijke seksualiteit tot een libertijnse visie van een cultuur die oneindig seksueel divers is. Hirschfeld was ervan overtuigd dat het wetenschappelijke begrip van seksualiteit zou leiden tot tolerantie en tot acceptatie van seksuele minderheidsgroepen.

De belangrijkste theoretische contributie van Hirschfeld is zijn “doctrine van seksuele tussenpersonen”. Hierin staat te lezen dat alle menselijke wezens interseksuele varianten zijn, m.a.w. dat ze allen in verschillende verhoudingen mannelijke en vrouwelijke eigenschappen bevatten. Daar bij het individu deze verhoudingen kunnen veranderen naargelang de tijd verstrijkt, is het strikt genomen niet mogelijk om mensen in te delen in seksuele categorieën.

Door de mogelijkheid aan te nemen van oneindig veel seksuele constituties en door mee te werken aan een beter begrip van de menselijke seksualiteit, anticipeert Hirschfeld enkele van de meest fundamentele stellingen over holebi´s en transgenders.

Het leven van Magnus Hirschfeld

Magnus Hirschfeld werd geboren in Kolberg, aan de Baltische Zee op 14 mei 1868. Zijn ouders waren Joden. Hij leerde moderne talen in Breslau en ging daarna medicijnen studeren in Straatsburg, München, Heidelberg en Berlijn, waar hij zijn graad behaalde in 1892.

Hoewel Charlotte Wolff in haar biografisch portret over Hirschfeld de wetenschapper beschrijft als een biseksueel, beschrijft Manfred Herzer hem als een homo. Hirschfeld zelf beschouwde zijn eigen seksuele geaardheid als een strikt persoonlijke zaak. Toch is er geen twijfel over zijn verhouding met Karl Giese, een directeur van het Instituut van Seksuele wetenschap en later met zijn Chinese leerling Li Shiu Tong. In zijn testament worden beiden vernoemd als zijn erfgenamen.

Als meest prominente leider van de vroege holebi-emancipatie in Duitsland, voerde Hirschfeld onophoudelijk campagne om de “seksuele rechten” van minderheidsgroepen te verdedigen. Hij probeerde organisatorische en redactionele netwerken uit te bouwen die de bevrijding van de seksueel onderdrukten zouden steunen.

In 1897 richtte Hirschfeld samen met Eduard Oberg, Max Spohr en Franz Josef von Bülow het “Wissenschaftlich-humanitäre Komitee” op. Het eerste project van deze instelling was een petitie voor de afschaffing van de anti-homoseksuele paragraaf 175 uit de Keizerlijke Strafwet van 1871.

Het Wetenschappelijk-humanitair comité slaagde er nooit in om paragraaf 175 te laten afschaffen, maar het verzamelde wel de handtekeningen van meer dan 6.000 Duitsers die opriepen voor de afschaffing. En in 1929 kwam er uiteindelijk een wet die paragraaf 175 afschafte.

In 1899 begon Hirschfeld met het publiceren van zijn “Jahrbuch für sexuelle Zwischenstufen”; de eerste wetenschappelijke neerslag over seksuele varianten. Het werd gepubliceerd tot 1923. De studies die erin werden gepubliceerd varieerden van artikels over holebiseksualiteit bij “primitieve” volken tot literaire analyses en gevalsanalyses.

Nadat hij in 1908 Freud had ontmoet in Wenen, werd Hirschfeld één van de stichtende leden van de Berlijnse sectie van de Weense Psychoanalytische Unie. Hij nam er ontslag in 1911 nadat een aanval van Jung tijdens het derde psychoanalystische congres in Weimar. In 1913 stichtte hij samen met Iwan Bloch en Heinrich Körber de “Medische Vereniging voor Seksuele Wetenschap en Eugenese”.

In juli 1919 opende hij het “Instituut voor Seksuele Wetenschap”, de voorloper van die instellingen zoals het Kinsey-instituut voor Seksueel Onderzoek”. Het Instituut werd een belangrijk centrum voor de studie van alle aspecten van seksualiteit en verzamelde een indrukwekkende bibliotheek.

Hirschfeld werd wereldwijd erkend als een bezielende redenaar en een productief schrijver. Zijn publicaties gingen niet alleen over de grote thema´s van de seksuele wetenschap maar ook over algemene gezondheidsthema´s, seksuele hervormingen, politiek, de geschiedenis van de moraal en over racisme.

In zijn bibliografie maakt James D. Steakley melding van meer dan 500 artikels die Hirschfeld publiceerde. Zijn eerste seksuele verhandeling had als titel “Sappho und Sokrates oder Wie erklärt sich die Liebe der Männer und Frauen zu Personen des eigenen Geschlechts?” (Sappho en Socrates, of hoe de liefde werkt van mannen en vrouwen voor personen van hetzelfde geslacht?) en werd gepubliceerd onder het pseudoniem “Th. Ramien” in 1896.

De belangrijkste contributies van Hirschfeld aan de seksuele wetenschap waren “Die Transvestiten” uit 1910, “Die Homosexualität des Mannes und des Weibes” uit 1914 en de drie volumes “Sexualpathologie” uit 1917. Tussen 1926 en 1930 publiceerde Hirschfeld zijn “Geslechtskunde”; zijn magnus opus bestaande uit vijf delen.

In een vroeg stadium uit de filmgeschiedenis werkte Hirschfeld ook mee aan de productie van “Anders als die Andern”, de eerste film waarin werd opgeroepen tot de bevrijding van holebi´s. Die ietwat melodramatische stomme film werd uitgebracht in mei 1919. Het doel van de film was om de slechtheid van paragraaf 175 aan te tonen en de kwetsbaarheid van “seksuele varianten” die vaak werden afgeperst omwille van de paragraaf. De film werd gebannen door de Duitse regering in augustus 1920.

In het licht van zijn Joodse achtergrond, zijn intens activisme voor progressieve doelen en zijn werken is het geen verrassing dat Hirschfeld een doorn in het oog was van rechtse nationalisten. In 1920 werd hij aangevallen en ernstig gewond in de straten van München na een conferentie. In 1921 werd hij opnieuw aangevallen en liep hij een schedelfractuur op. Vanaf 1929 werd Hirschfeld herhaaldelijk aangevallen door de Nazi´s.

Wat in 1930 eerst een reeks van lezingen in de Verenigde Staten zou zijn, werd uiteindelijk een wereldreis waarbij Hirschfeld landen als Japan, China, Indonesië, India, de Filippijnen, Egypte en Palestina bezocht. Toen hij terug in Europa aankwam in 1932 besloot Hirschfeld om niet terug naar Duitsland te keren.

Toen de Nazi´s in 1933 aan de macht kwamen, vernietigden ze het Instituut voor Seksuele Wetenschap, waaronder de bibliotheek en het grootste archief in zijn soort ter wereld. In 1934 ontnam de Nazi-regering Hirschfeld zijn Duitse burgerrechten.

Nadat hij korte tijd in Zwitserland en Parijs woonde, settelde Hirschfeld zich uiteindelijk in Nice in 1934. Hij stierf op zijn 67ste verjaardag, op 14 mei 1934.

Het Derde Geslacht

In de negentiende eeuw werd de term “het derde geslacht” gebruikt door auteurs zoals Théophile Gautier, Honoré de Balzac en Karl Heinrich Ulrichs, maar het was vooral Hirschfeld die tijdens de twintigste eeuw de term populair maakte. Hoewel hij de term “het derde geslacht” prefereerde boven de term “homoseksualiteit”, gebruikte hij het concept nooit in zijn wetenschappelijke publicaties.

Hirschfeld roem als voorstander van het “derde geslacht” had een ongelukkig gevolg voor zijn latere reputatie als seksuoloog. Hirschfeld geloofde dat homo´s het derde geslacht waren, een tussenvorm van de heteroseksuele man en de heteroseksuele vrouw. Toch bracht hij die positie niet naar voren als wetenschappelijk, maar als een politieke tactiek.

Daar voor Hirschfeld een derde geslacht betekende dat er nog een fictieve groep werd toegevoegd bij al bestaande fictieve categorieën, herriep hij nooit zijn fundamenteel inzicht dat alle mensen interseksuele varianten waren. Het derde geslacht werd door Hirschfeld niet gezien als een aparte categorie maar als een onmisbare noodoplossing om het “extreem oppervlakkig plan van de classificatie in mannen en vrouwen” te overwinnen.

Volgens Hirschfeld waren de leden van het derde geslacht, zoals diegenen die deden alsof zij bij een seksuele meerderheidsgroep hoorden, gewoon andere variëteiten van het onuitputbaar aantal variëteiten aan “seksuele intermediairen”.

De theoretische prestatie van Hirschfeld

De belangrijkste theoretische prestatie van Hirschfeld is zijn biologische deconstructie van de Westerse ideologie van het seksuele dimorfisme; de rigide opsplitsing van de mensheid in mannen en vrouwen.

De “doctrine van seksuele intermediairen” van Hirschfeld daagt de complete verdeling naar man en vrouw uit, de verdeling die gebaseerd zou zijn op het verhaal van Adam en Eva, waarbij Adam als man wordt gezien omdat hij de attributen van zijn menselijke andere niet heeft: Adam is niet Eva, een man is geen vrouw.

De verschuiving van het paradigma dat Hirschfeld introduceerde, houdt in dat een menselijk wezen noch man noch vrouw is, maar tezelfdertijd man en vrouw op een unieke manier.

De “doctrine van seksuele intermediairen” is een nieuwe manier om een voorstelling te maken van seksuele verschillen. Het is de basis van Hirschfeld´s theoretische en libertijnse programma, hoewel hij het nooit in detail ontwikkelde.

Seksuele verschillen en het “resterende” geslacht

In “Sappho und Sokrates” plaatst Hirschfeld “de pure biologische, non-pathologische conceptie van liefde voor hetzelfde geslacht” in een definitief schema. Dit schema is theoretisch ambitieuzer dan die van zijn voorgangers. Door veel verder te gaan dan enkel de normalisatie van het “derde geslacht”, benadrukt Hirschfeld de essentiële kenmerken van zijn “doctrine van seksuele intermediairen”.

Dus verwijst Hirschfeld naar de realiteit van een biseksuele primaire beschikken, wiens sporen of “overblijfselen” al op fysiek vlak kunnen waargenomen worden: “Elke man behoudt zijn onvolgroeide baarmoeder, de uterus masculinus en de overbodige tepels tot zijn dood; gelijkaardig is het bij de vrouw die haar nutteloze bijbal behoudt en haar spermatisch snoer.” Hirschfeld wijst erop dat wat betreft het fysieke centrum voor seksuele gevoeligheid, “we enkel kunnen veronderstellen dat ook hier resten van lustgevoelens voor personen van hetzelfde geslacht overblijven.”

Volgens Hirschfeld zijn alle menselijke wezen in hun meest primaire vorm zowel lichamelijk als geestelijk biseksueel. De onuitputtelijke diversiteit aan seksualiteit is niet het resultaat van kwalitatieve maar van kwantitatieve verschillen die worden bepaald door de manier waarop het menselijk wezen gehinderd of gesteund wordt in zijn of haar ontwikkeling.

Hirschfeld benadrukt dat hoe later een bepaald seksueel verschil wordt ontwikkeld, hoe meer betekenisvol de invloed van het “resterende” geslacht is. Dat graduele afwijkingen minder vaak voorkomen bij primaire seksuele kenmerken (zoals de genitaliën) en vaker bij secundaire seksuele kenmerken (zoals andere fysieke kenmerken) en nog vaker bij tertiaire seksuele kenmerken (zoals de sekuele lust), wordt door Hirschfelfd aangetoond door het hoge aantal variërende seksuele voorkeuren.

Het continuüm van de natuur

Hirschfeld koos als motto voor zijn verhandeling “Geslechtsübergänge” in 1905 een quote van de filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz: “Tout va par degrés dans la nature et rien par sauts”. (In de natuur gebeurt alles in graden, er is niets dat eruit springt.) Door dit principe op de seksualiteit toe te passen, besluit Hirschfeld dat alle artificiële gescheiden seksuele variëteiten overgangen zijn binnen het alomtegenwoordige continuum van de natuur.

In tegenstelling tot de dichotomie, of beter, het schema van seksuele verschillen, laat het idee van seksuele gradaties een oneindig aantal seksuele constituties toe naarmate de polen van het mannelijke en het vrouwelijke met elkaar gecombineerd zijn op de verschillende niveaus van seksuele kenmerken. Die niveaus zijn volgens Hirschfeld ten eerste de seksuele organen, ten tweede andere lichaamskenmerken, ten derde de seksuele lust en ten vierde andere psychologische kenmerken.

Daar in dit schema seksuele verschillen niet bepaald worden in relatie tot een enkel alternatief (mannelijk of vrouwelijk), maar in relatie tot een open systeem van ontelbare combinaties van het mannelijke en het vrouwelijk op verschillende niveaus, wordt de seksualiteit van elk individu gekenmerkt door een unieke complexiteit.

De veranderlijke seksuele identiteit

Door het idee van vaste seksuele identiteiten te verwerpen, verandert de doctrine van seksuele intermediairen de vraag van seksuele identificatie naar een ononderbroken taak zonder einde waarbij het indelen in categorieën enkel bij benadering kan en steeds aangepast moet worden.

Dus, de bepaling en expressie van iemands seksualiteit wordt een verhaal over veranderende seksuele verschillen die bepaald worden tegen een achtergrond van mogelijkheden die bij het continuum van de natuur van kracht zijn.

Hoewel Hirschfeld strenge formuleringen vermeed over deze theoretische gevolgen, maakt zijn interesse in het seksuologisch aspect van individu´s, samen met zijn onvermoeibare inzet om zijn theorie bij te schaven, het duidelijk dat hij geleid werd door een seksueel concept waarbij het verschil niet voor eens en altijd vaststaat, maar dat bepaald wordt binnen een netwerk van oneindig veel seksuele variëteiten, die allemaal van elkaar verschillen en doorheen het leven van het individu steeds veranderen.

De huidige relevantie van de theorie van Hirschfeld

Studies over Hirschfeld hebben systematisch zijn werken ondergewaardeerd en verkeerd voorgesteld. Het is dan ook geen verrassing dat hij genegeerd werd in bijna alle belangrijke debatten over gender- en holebi-studies. De meeste geleerden die met deze thema´s bezig zijn, zijn nauwelijks op de hoogte van de “Geschlechtskunde”, het compendium van Hirschfeld´s levenswerk.

Hirschfeld´s “doctrine van seksuele intermediairen” is ingrijpender dan de psychoanalytische literatuur van Freud en diens afgeleiden en gaat ervan uit dat zowat alle studies waarbij individu?s verdeeld worden in ofwel mannelijk ofwel vrouwelijk, verouderd en naïef zijn.

Seksuele politiek en de reactie van de Nazi´s

Dat Hirschfeld´s werken verkeerd opgevat werden, is voor een deel een gevolg van zijn emancipatorisch programma. Hirschfeld zocht naar erkenning en begrip voor seksuele minderheidsgroepen bij diegenen die zichzelf perfect “normaal” beschouwden. Indien hij aan hen zijn theorie helemaal uitlegde, betekende dit eigenlijk dat hij hen zei dat hun “normaliteit” niet gegrond was.

Hirschfeld was ook zeer gereserveerd, wat geen verrassing is als je weet dat hij een Jood was en de leider van een seksuele minderheidsgroep. Hij moest voortdurend opboksen tegenover vijandigheid en vooroordelen. Het is dan ook gerechtvaardigd dat hij voorzichtig en weerhoudend was.

In 1933, nadat hij uit Duitsland verbannen was, zat hij in een Parijse bioscoop en zag zij in de nieuwsbeelden de plundering en de vernietiging van zijn eigen Instituut voor Seksuele Wetenschappen in Berlijn. Met deze daad van vandalisme beëindigde de Nazi´s de Duitse “Sexualwissenschaft”, een wetenschappelijk project dat gesticht en ontwikkeld was door vooral Joden of Christenen van Joodse afkomst.

Hirschfeld stierf al gauw na de vernietiging van zijn geliefde instituut, maar zijn werk en zijn ideeën hebben hem overleefd. Zijn programma om tot gerechtigheid te komen via de wetenschap bereikte echter niet die successen waar hij zo hartstochtelijk naar verlangde. Toch verdient deze vruchtbare wetenschapper en dappere campagnevoerder het respect van iedereen die met wetenschappen en gerechtigheid bezig is.

Vertel anderen over dit artikel :
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Twitter
  • E-mail this story to a friend!
  • Netvibes
  • NuJIJ
  • Technorati
Geplaatst op 04 augustus 2009 - 0 reacties op dit artikel.

Tags :

Geef jouw mening

Invulvelden met een (*) zijn verplicht in te vullen.