Granger, Farley (1925 – 2011)

farley-grangerFarley Earle Granger (1 juli 1925 – 27 maart 2011) was een Amerikaanse acteur. Met zijn carrière, die vele jaren duurde, wordt hij het meest herinnerd voor zijn twee samenwerkingen met Alfred Hitchcock: “Rope” in 1948 en “Strangers on a Train” in 1951.

Jeugd
Granger werd geboren in San Jose, California als zoon van Eva (Hopkins) en Farley Earle Granger. Zijn rijke vader had een eigen garage en het gezin ging vaak op reis naar hun strandhuis in Capitola. Na de beurscrash van 1929 werd het gezin gedwongen om hun twee huizen te verkopen en het grootste deel van hun bezittingen. Ze gingen wonen in een appartement boven de garage waar ze twee jaar bleven. Als gevolg van hun financiële tegenslag en de teloorgang van hun sociale status, begonnen de ouders van Grangers beiden zwaar te drinken. Uiteindelijk moesten hun laatste bezittingen openbaar geveild worden om hun schulden te verkopen en vader Grangers gebruikte hun laatste auto uit zijn garage om in het midden van de nacht met zijn gezin naar Los Angeles te vluchten.

Het gezin betrok een klein appartement in een achterbuurt van Hollywood en de ouders van Grangers namen allerlei tijdelijke banen aan. Ze begonnen steeds meer te drinken en hadden vaak ruzie. Moeder Granger hoopte dat haar zoon een tapdanser zou worden en schreef hem in bij ‘Ethel Meglin’s’; een dans- en dramaschool waar ook de carrière van Judy Garland en Shirley Temple was gestart.

Vader Granger vond werk als bediende in een werkloosheidsbureau in Hollywood en met zijn salaris kon hij een huis kopen in Studio City, waar zijn buurman de acteur/danser Donald O’Conner was. Op kantoor maakte vader Granger kennis met Harry Langdon, die hem het advies gaf om zijn zoon naar een klein theater te sturen waar er audities waren voor “The Wookie”, een Brits toneelstuk over Londenaars die proberen te overleven tijdens WOII. Granger Jr.’s gebruik van een Cockney-accent overtuigde de regisseur en hij werd gecast voor verschillende rollen. Tijdens de openingsavond zaten talentenscouten Phil Gersh en Samuel Goldwyn in het publiek, samen met castdirecteur Bob McIntyre. De volgende morgen contactgeerde Gersh de ouders van Granger en vroeg hij hen om diezelfde dag hun zoon naar zijn kantoor te sturen om te praten over de rol van Damian, een Russische tienerjongen in de film “The North Star”.

Granger deed audities voor producent Goldwyn, schrijfster Lillian Hellman en regisseur Lewis Milestone. Hellman was al een tijdje bezig met te proberen om Montgomery Clift te overtuigen om het Broadway-stuk waarin hij speelde, te verlaten, maar ze had geen succes. Daarom ging de rol naar Granger en Goldwyn sloot een 7-jarig contract af met Goldwyn aan $100 per week.

Vroege carrière
De publiciteitsafdeling van de studio dacht dat het publiek Farley zou verwarren met de Britse acteur Stewart Granger dus suggereerden ze hem om zijn naam te veranderen en gaven ze hem een lijst waaruit hij kon kiezen. “Die namen waren belachelijk, zoals Gordon Gregory en Gregory Gordon. Ik wou mijn naam niet veranderen. Ik vond Farley Granger goed. Het was de naam van mijn vader en van mijn grootvader. Ze bleven mij nieuwe namen voorstellen en uiteindelijk bood ik hen aan mijn naam te veranderen naar Kent Clark. Het was de enige naam die ik grappig vond”, vertelde Granger later. Uiteindelijk kwam de studio naar buiten met het persbericht dat Farley Granger, een laatstejaarsstudent, was gecast voor “The North Star” nadat hij had gereageerd op een zoekertje in een lokale krant. “Ik vond dat een hele stom verhaaltje”, zei Granger. “De waarheid was veel meer interessant”.

De film bleek een veelbelovende start van de carrière van Granger. Hij genoot van de samenwerking met regisseur Milestone en met de andere leden van de cast zoals Dana Andrews, Teresa Wright, Walter Brennan en Jane Withers. Tijdens de opnames ontmoette hij componist Aaron Copland met wie hij zijn hele leven lang bevriend bleef. Toen de film werd uitgebracht, werd deze met de grond gelijk gemaakt door de kranten die eigendom waren van William Randolph Hearst, een hartstochtelijke anti-communist die vond dat de film propaganda was voor de Sovjets.

Voor zijn volgende film werd Granger uitgeleend aan 20th Century Fox, waar Darryl F. Zanuck hem een rol gaf in “The Purple Heart”, waarin hij werd geregisseerd werd door Mileston en terug samenspeelde met Dana Andrews. Granger werd goede vrienden met Sam Levene, een karakteracteur uit New York City die hem onder zijn vleugels nam. Hij geraakte ook bevriend met Roddy McDowall en in de roddelblaadjes verschenen artikels waarin hij werd gelinkt met actrice June Haver.

Na het beëindigen van “The Purple Heart”, schreef Granger zich in bij de Amerikaanse zeemacht. Na een opleiding in Farragut, Idaho, vaarde hij van Treasure Island in San Francisco naar Honolulu. Tijdens de 17-daagse zeereis was hij constant zeeziek en verloor hij 12 kilo. Bij aankomst op Hawaii werd hij verschillende dagen opgenomen in het hospitaal met uitdrogingsverschijnselen. De rest van zijn militaire carrière bracht hij door aan land. Hij werkte eerst in een club voor militairen aan Waikiki Beach en later werkte hij samen met de klassieke acteur Maurice Evans die hem voorstelde aan sterren zoals Bob Hope, Betty Grable, Hedy Lamarr en Gertrude Lawrence.

Het was tijdens zijn militair verblijf in Honolulu dat Granger van zijn eerste seksuele ervaringen genoot: met een hostes in een private club en met een knappe legerofficier, in dezelfde club, op dezelfde avond. Hij ontdekte dat hij zich aangetrokken voelde tot zowel mannen en vrouwen. In zijn mémoires schreef hij hierover: “Ik begreep eindelijk dat alles was ik die avond had gedaan voor mij natuurlijk en goed voelde… ik heb nooit de behoefte gevoeld om bij een exclusieve, speciale groep te horen… Ik heb mij nooit geschaamd en ik heb nooit de behoefte gevoeld om uitleg te verschaffen over mijn relaties. Ik heb van mannen gehouden. Ik heb van vrouwen gehouden.”

Granger keerde terug naar zijn burgerleven en was blij verrast om te zien dat zijn ouders hun drinkgedrag hadden ingetoomd en elkaar beter behandelden. Goldwyn had zijn wekelijks salaris opgetrokken tot $200 en gaf hem een wagen cadeau. Hij werd voorgeteld aan Saul Chaplin en zijn vrouw Ethyl, die levenslang zijn mentor, vertrouwelinge en beste vriendin werd. Door het koppel ontmoette Granger mensen zoals Betty Comden, Adolph Green, Jerome Robbins, Leonard Bernstein en Gene Kelly die hem uitnodigde naar zijn feestjes waar hij kennis maakte met sterren zoals Judy Garland, Lena Horne, Frank Sinatra, Betty Garrett, Johnny Mercer, Harold Arlen en Stanley Donen. Onder zijn nieuwe kennissen bevond zich ook regisseur Nicholas Ray, die hem castte voor zijn film noir “Thieves Like Us”. De film was bijna klaar in oktober 1947 toen Howard Hughes RKO Radio Pictures kocht en de film werd twee jaar bewaard voor deze onder de titel “They Live by Night” in één enkele bioscoop in Londen werd uitgebracht. De enthousiaste reacties zorgden er voor dat de film uiteindelijk eind 1949 werd uitgebracht in de Verenigde Staten. Tijdens de twee jaren dat de film niet werd uitgebracht, zagen enkele mensen de film tijdens private vertoningen, waaronder ook Alfred Hitchcock die bezig was aan de voorbereidingen van “Rope”.

Granger was in New York toen hij werd opgeroepen om terug te keren naar Hollywood om over “Rope” te praten met Hitchcock. De avond voor deze afspraak ontmoette Granger toevalling Arthur Laurents die mee had geschreven aan de film, die was gebaseerd op het toneelstuk “Rope’s End”. Pas tijdens het lezen van het script begreep Granger dat de auteur van de film de man was die hij de vorige avond had ontmoet. Granger en Laurents zagen elkaar opnieuw en Laurents nodigde Granger uit om met hem de nacht door te brengen. Granger weigerde, maar toen Laurents hem enkele dagen later opnieuw uitnodigde, ging hij in op het voorstel. Het werd de start van een romantische relatie die ongeveer een jaar duurde en het begin van een vaak stormachtige vriendschap die vele jaren duurde.

In “Rope” spelen Granger en John Dall twee intelligente vrienden die samen een moord plegen enkel om te bewijzen dat er niets tegen hen te bewijzen valt. De twee personages en hun voormalige professort, vertolkt door Jimmy Stewart, zijn homoseksueel. Die homoseksualiteit wordt zo erg subtiel getoond dat Laurents zelfs twijfelde of Steward het wel door had. De opnames kenden vele technische problemen en de film lokte uiteindelijk gemengde reacties uit, hoewel het merendeel van het publiek onder de indruk was door Granger. Later vertelde hij over zijn rol in “Rope” dat hij “blij was met de ervaring”.

Na de voltooiing van “Rope” castte Goldwyn Granger, Teresa Wright, David Niven en Evelyn Keyes voor “Enchantment”. Deze film werd geplaagd door en zwak verhaal en een onverschillige regisseur Irving Reis. De film flopte, net zoals zijn volgende film “Roseanna McCoy”. Tijdens de opnames van deze film, stopte de romantische relatie tussen Granger en Laurents. Bij de opnames van “Side Street” op locatie in Manhattan, kreeg Granger een korte relatie met Leonard Bernstein die hem uitnodigde op zijn Zuid-Amerikaanse tournee. Toen Granger de film beëindigde was de componist/dirigent al getrouwd met de Chileense pianiste en actrice Felicia Montealegre. Toch bleven de twee mannen bevriend.

Hoofdrollen
De twee volgende films van Granger, “Edge of Doom” en “Our Very Own”, waren geen prettige werkervaringen en de acteur weigerde om uitgeleend te worden aan Universal Pictures om te acteren in een film over een vliegend tapijt. Toen hij geen werk meer kreeg besloot Granger om Ethyl Chaplin, die gescheiden was van haar man, samen met haar dochter te vergezellen naar Parijs. Op het laatste moment voegde Arthur Laurents zich bij hen. Laurents bleef achter in Parijs toen het groepje naar Londen trok om er een optreden van het New York City Ballet te zien, in een choreografie van Jerome Robbins. Granger en Robbins begonnen een open verhouding tot de acteur teruggeroepen werd naar New York om publiciteit te maken voor “Our Very Own” en “Edge of Doom”. Beide films kregen verschrikkelijke kritieken. Goldwyn annuleerde de landelijke release van “Edge of Doom” en probeerde de film nog te redden door er een nevenverhaal aan toe te voegen, maar Granger weigerde om er nog meer publiciteit voor te maken. Hij vertrok opnieuw naar Europa waar hij samen met Laurents tijd doorbracht in Italië, Oostenrijk en Duitsland tot hij werd gecontacteerd door Alfred Hitchcock voor een nieuwe film.

Deze film was “Strangers on an Train” waarin Granger werd gecast als de amateur tennisser en een beginnende politicus Guy Haines. Hij wordt voorgesteld aan de psychotische Bruno Anthony (Robert Walker) die hem voorstelt dat hij de vrouw van Guy vermoordt en dat Guy komaf maakt met de vader van Bruno. Opnieuw was er sprake van een homoseksuele ondertoon. Granger en Walker, wiens vrouw Jennifer Jones hem recent had verlaten voor David O. Selznick, werden goede vrienden en vertrouwelingen van elkaar tijdens de opnames. Granger werd overmand door verdriet toen Walker overleed aan een ongelukkige combinatie van alcohol en pillen, net voor de release van de film. “Strangers on a Train” werd een grote hit.

Op 31 december 1950 ging Granger zijn goede vriendin Shelley Winters ophalen om haar mee te nemen naar het traditionele nieuwjaarsgala van Sam Spiegel. De actrice liet hem bijna twee uur lang wachten en ze kregen ruzie onderweg naar het feest. Eens ze daar waren, lieten ze elkaar alleen en ontmoette Granger Ava Gardner. Het tweetal sloop weg van het feest om naar een optreden van Nat King Cole te gaan kijken in een nachtclub en later gingen ze samen naar het huis van Granger, waar ze een intense verhouding begonnen die duurde totdat Gardner begon met haar opnames voor de film “Show Boat”.

Nadat ze hun ruzie hadden bijgelegd, reisden Granger en Winters naar New York City, waar ze lessen volgenden aan de Actor’s Studio en het Neighborhood Playhouse. Winters schreef zich in voor de lessen ‘method acting’, maar Granger vond dat een acteur zich moest houden aan zijn tekst en niet moest proberen om te putten uit een persoonlijke herinnering. Dit zorgde ervoor dat ze opnieuw ruzie kregen met elkaar. Hun plan om los van elkaar lessen te volgen werd gestoord toen ze beiden terug naar Hollywood werden geroepen. Goldwyn castte Granger in “I Want You”, een drama over het effect van de oorlog in Korea. Granger vond dat het verhaal van Irwain Shaw “niet alleen saai maar ook ouderwets was”, maar was blij omdat hij de kans kreeg om te werken met Dana Andrews en Dorothy McGuire. Goldwyn verwachtte dat de film net zoveel succes zou krijgen als “The Best Years of Our Lives”, maar het publiek vond de film “langdradig en ouderwets” en het project flopte. De volgende projecten van Granger, een idiote komedie met Winters, “Behave Yourself”, “The Gift of the Magi” en de musical “Hans Christian Andersen” kenden ook geen succes.

Omdat hij wilde werken met Vincent Minnelli accepteerde Granger een rol naast Leslie Caron en Ethel Barrymore in “Mademoiselle”, één van de drie delen van de MGM-film “The Story of Three Loves”. De producent van de film, Gottfried Reinhardt regisseerde ook de twee andere delen en hij knipte ongenadig in het deel van Minnelli om zijn eigen delen meer filmtijd te geven. Granger was ongelukkig met de gang van zijn carrière en zocht troost bij Shelly Winters, die was gescheiden van Vittorio Gassman. Het tweetal nam de draad van hun liefdesrelatie weer op en kwamen dicht bij een huwelijk. Hun relatie was ingewikkeld maar Granger voelde er zich goed bij.

Het volgende project van Granger was “Small Town Girl”, een musical met Jane Powell, Ann Miller en Bobby Van. Na de beëindiging kost Granger zijn contract af van Goldwyn, een dure beslissing die zorgde voor financiële moeilijkheden. Granger was vastbesloten om naar Manhattan te verhuizen om er verder te leren acteren en om er op de planken te staan, maar zijn agent overtuigde hem om een rol te aanvaarden in “Senso”, geregisseerd door Luchino Visconti, naast Alida Valli. De opnames van deze film in Italië duurden negen maanden en Granger had er heel veel vrijde tijd waardoor hij Italië kon bezichtigen en zelfs een lang weekend in Parijs doorbracht, waar hij een korte verhouding had met Jean Marais. Tijdens zijn verblijf in Venetië blies Granger nieuwe adem in zijn vriendschap met Peggy Guggenheim, die hij eerder had ontmoet tijdens een reisje in Italië met Arthur Laurens. Hij ontmoette er ook Mike Todd, die hem overtuigde om een cameo te maken als gondelier in zijn epische film “Around the World in 80 Days”.

Bij zijn terugkomst naar de Verenigde Staten bood Darryl F. Zanuck aan Granger een rol aan in twee films en kort daarna speelde hij in “The Girl in the Red Velvet Swing” waarin hij de tycoon Harry Kendall Thaw vertolkte, en hij genoot van de samenwerking met Anthony Quinn en Anne Bancroft in “The Naked Street”.

In 1955 verhuisde Granger naar New York en volgde hij samen met Bob Fosse, Gloria Vanderbilt, James Kirkwood en Tom Tyron de lessen van Sandy Meisner aan de ‘Neighborhood Playhouse’. Tijdens deze periode maakte hij zijn debuut op Broadway in “The Carefree Tree”, een stuk met muziek gebaseerd op een oude Chinese legende. In het stuk speelde Janice Rule de geliefde van Granger en Alvin Ailey, Frances Sternhagen, Jerry Stiller en Sada Thompson vertolkten nevenrollen. Het stuk werd beëindigd na enkel 24 opvoeringen, maar kort daarna trok Rule bij Granger in en maakten ze huwelijksplannen. Maar ze kwamen tot het besef dat de liefde die hun personages hadden gevoeld op de planken niet echt waren en ze gingen uit elkaar. Ze bleven echter bevriend met elkaar tot de dood van Rule in 2003.

Met zowel zijn film- en zijn theatercarrière in het slop, besloot Granger zijn pijlen op televisie te richten. Hij speelde in “Beyond This Place”, een bewerking van de roman van A.J. Cronin, met Shelley Winters en Peggy Ann Garner en hij voegde zich naast Julie Harris voor een remake van “The Heiress”. Hij speelde ook in afleveringen van “Climax Mystery Theater”, “Ford Television Theatre”, “The 20th Century Fox Hour”, “Robert Montgomery Presents”, “Playhouse 90”, “Wagon Train”, “Kraft Television Theatre”, “The United States Steel Hour” en “The Bell Telephone Hour”. Later vertolkte hij nog rolletjes in o.a. “Get Smart”, “Run for Your Life”, “Ironside”, “The Name of the Game” en “Hawaii Five-O”.

In 1959 keerde Granger terug naar Broadway als Fitzwilliam Darcy naast Polly Bergen als Elizabeth Bennet in “First Impressions”, een muzikale bewerking van “Pride and Prejudice”. De try-out in New Haven was een ramp en de kritieken waren gemengd. Het verbeterde een beetje tijdens de opvoeringen in Philadelphia maar toen de productie in New York kwam kreeg Bergen, die vreselijke ruzie had met medespeelster Hermione Gingold, ernstige stemproblemen en sommige van haar liedjes moesten geschrapt worden, wat voor verwarring zorgde bij de rest van de cast. Bergen werd vervangen door Ellen Hanley en de musical werd na drie maanden afgevoerd. Later dat jaar werd Granger gecast in “The Warm Peninsula”, een stuk door Joe Masteroff. Hij speelde naast Julie Harris, June Havoc en Larry Hagman. Het stuk kreeg gemengde kritieken en kende 86 opvoeringen.

Latere carrière
Ondanks zijn drie weinig succesvolle ervaringen op Broadway bleef Granger zich focussen op het theater tijdens het begin van de jaren 1960. Hij aanvaardde een uitnodiging van Eva Le Gallienne om zich bij haar ‘National Repertory Theatre’ te voegen. Tijdens hun eerste seizoen, toen ze in Philadelphia waren, werd John F. Kennedy vermoord. De president had hun debuutavond bijgewoond en het nieuws over zijn dood kwam bijzonder hard aan bij het gezelschap. Granger was nauw bevriend geraakt met productiemanager Robert Calhoun en hoewel ze zich tot elkaar voelden aangetrokken, spraken ze er nooit over. De nacht na het nieuws over de moord op Kennedy werden ze minnaars van elkaar.

Granger oogstte uiteindelijk successen op Broadway in de stukken “The Seagull”, “The Crucible”, “The Glass Menagerie” en “Deathtrap”. Hij speelde naast Barbara Cook in een opvoering van “The King and I” en in 1979 kreeg hij een rol in “A Month in the Country”. In 1986 won hij een Obie Award voor zijn rol in “Talley & Son”.

Tijdens de vroege jaren 1970 verhuisden Granger en Calhoun naar Rome, waar de acteur een reeks van Italiaanse films maakte; met als meest bekende “They Call Me Trinity”. Hij was ook te zien in verschillende soaps,: “One Life to Live” (waarmee hij een Emmy won), “The Edge of Night” en “As the World Turns (met Calhoun als producer). Granger acteerde naast Mario Ador in de Italiaanse thriller “La Polizia chiede aiuto”, geregisseerd door Massimo Dallamano.

Sinds de jaren 1990 was Granger te zien in verschillende documentaires over Hollywood en Alfred Hitchcock. In 1995 werkte hij mee aan “The Celluloid Closet” waarin hij sprak over homoseksualiteit in films.

In 2003 was Granger voor het laatste te zien in “Broadway: The Golden Age, by the Legends Who Were There”. Daarin vertelde hij zijn verhaal over het verlaten van Hollywood op zijn hoogtepunt, het uitkopen van zijn contract van Samuel Goldwyn, zijn verhuis naar Manhattan en zijn werk op Broadway.

In 2007 publiceerde Granger zijn mémoires met “Include Me Out”, waaraan zijn partner Robert Calhoun meeschreef. In het boek, genoemd naar één van de bekendste uitspraken van Goldwyn, heeft hij het openlijk over zijn carrière en persoonlijk leven. Calhoun overleed aan longkanker in New Yok op 24 mei 2008, op zijn 77ste. 

Granger overleed op 27 maart 2001, op zijn 85ste.

Vertel anderen over dit artikel :
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Twitter
  • E-mail this story to a friend!
  • Netvibes
  • NuJIJ
  • Technorati
Geplaatst op 12 september 2011 - 0 reacties op dit artikel.

Tags :

Geef jouw mening

Invulvelden met een (*) zijn verplicht in te vullen.