George, Boy (1961)

boy-georgeBoy George is, zoals de meeste homo´s van middelbare leeftijd, een overlever. En zoals bij zoveel popiconen was zijn roem én van de belangrijkste problemen die hij moest verwerken. Het fenomeen Boy George, dat begin jaren 1980 aandacht kreeg dankzij het succes van de groep “Culture Club”, dreigde de artiest Boy George te overschaduwen. Maar, George´s talent, herstellingsvermogen en vriendelijkheid hebben hem geholpen tijdens de split van zijn groep, zijn drugsverslaving, zijn onverwachte comeback als solo-artiest en zijn reünie met Culture Club in 1998. Door zijn vooruitstrevende stijl te bewaren heeft George bewezen dat hij geen rol speelt op het podium, maar een echte homopionier is.

George Alan O´Down werd geboren op 14 juni 1961 in Bexleyheat, een vreugdeloos deel van Zuid-Londen in Engeland. Hij was het derde van zes kinderen in een Iers arbeidersgezin. Zijn vader, een bouwvakker en bokscoach, en zijn moeder, die in een bejaardenhuis werkte, hadden weinig tijd over om veel aandacht aan hun kroost te schenken. Vooral de kleine George had hieraan behoefte. Hij begon al vroeg tekenen te tonen van zijn “anders”-zijn.

Hij verscheen vaak in de kerk met een bizarre hoed op en op schoenen met plateauzolen. Zijn zonderlinge kleren die hij droeg om naar school te gaan zorgden ervoor dat hij straf kreeg. Hij verliet de school en ging op zoek naar verwante geesten.

Misschien is het veelbetekenend dat het eerste concert dat Boy George zag, er één was van David Bowie. Altijd flamboyant gekleed en met wilde make-up, waren George en zijn vrienden vaste klanten in de hipste Londense clubs, waar George regelmatig aandacht kreeg van fotografen. Deze foto´s vingen de aandacht van manager Malcolm McLaren en bassist Mikey Graig. Ze benaderden George om een groep op te richten en al snel was George de frontman van “Culture Club”.

Door de mix van pop met reggae en soul werden de eerste twee albums van Culture Club (Kissing to be Clever) en (Colour by Numbers) grote hits. George rijke, soulstem was kenmerkend voor de groep, maar het was vooral zijn verschijning, met vlechtjes, in jurken of als geisha, met ingewikkelde make-up, die Culture Club beroemd maakte.

Fans waren weg van de rebelse kitsch van George´s verwijfde look. Er waren echter ook homofobische reacties, zoals deze van een radiostation uit Detroit dat blinddoeken uitdeelde tijdens een concert zodat toehoorders niet hoefden te kijken naar deze “zondige she-male”. George speelde graag een spelletje met de pers, hoewel hij tijdens zijn beginjaren zijn homoseksualiteit afzwakte door te zeggen dat hij had geëxperimenteerd met allerlei soorten seks. Tijdens de beginjaren van de Culture Club had hij een relatie met de biseksuele drummer Jon Moss.

Maar het succes eiste zijn tol en al gauw gebruikte George allerlei drugs. Tenslotte werd hij verslaafd aan heroïne. Na een reeks hits, waaronder de singles “Do You Really Want to Hurt Me” en “Karma Chameleon” splitte Culture Club in 1986. George slaagde erin om van de heroïne te blijven en in 1987 maakte hij zijn solodebuut met “Sold”.

Sindsdien is Boy George steeds in de belangstelling gebleven. Hij gaat echter niet langer meer op zoek naar het soort van publiciteit dat hem overweldigde in de jaren 1980, noch verzoent hij zich met het status van “voormalig icoon”. Na nog een succesgolf in het midden van de jaren 1990, toen hij het titellied zong van de film “The Crying Game”, herenigde hij zich met Culture Club voor de Big Rewind Tour in 1998.

Zijn recentste passie is DJ-ing, waardoor hij in Engeland opnieuw beroemd is geworden. Hij is gespecialiseerd in het mixen van verschillende genres en artiesten tot een hip en campy resultaat. Plaatjes draaien geeft George de kans om opnieuw in het voetlicht te staan terwijl hij zich bezighoudt met de muziek waarvan hij houdt.

Hij scoorde onlangs opnieuw succes in de musical “Taboo” over de artiest en modeontwerper Leigh Bowery. Naast zijn schrijfwerk voor de musical, deed hij er ook in mee als zichzelf. De verplaatsing van het stuk van Londen, waar het goed werd ontvangen, naar New York (waar het werd geproduceerd door Rosie O´Donnel) was niet gemakkelijk. Er liep heel wat mank en er waren geruchten over artistieke onenigheden tussen het management en de cast. Ondanks vele negatieve besprekingen liep “Taboo” tijdens 100 vertoningen tot 8 februari 2004.

Vertel anderen over dit artikel :
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Twitter
  • E-mail this story to a friend!
  • Netvibes
  • NuJIJ
  • Technorati
Geplaatst op 04 augustus 2009 - 0 reacties op dit artikel.

Tags :

Geef jouw mening

Invulvelden met een (*) zijn verplicht in te vullen.