Garden, Mary (1874-1967)

mary-gardenMary Garden (20 februari 1874 – 3 januari 1967) was een Schotse sopraan die een aanzienlijke carrière in de opera uitbouwde in Frankrijk en Amerika tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw. Ze bracht het merendeel van haar kindertijd en jeugd door in de Verenigde Staten van Amerika en werd een Amerikaans burger. Toch leefde ze vele jaren in Frankrijk en ging ze na haar pensioen in Schotland wonen.

Mary werd omschreven als ‘de Sarah Bernhardt van de opera’. Ze was een uitzonderlijke actrice en een getalenteerde zangeres. Ze werd vooral bewonderd omwille van haar genuanceerde vertolkingen waarbij ze speelde met klankkleuren. Gezegend met een prachtige en flexibele stem kende ze haar eerste successen in Parijs. Ze werd de lijdende sopraan in de Opéra-Comiqe. Ze vertolkte rollen in verschillende wereldpremières, waaronder die van Mélisande in Claude Debussy’s “Pelléas et Mélisande” (1902). Ze werkte nauw samen met Jules Massenet, in wiens opera’s ze uitblonk. Massenet schreef speciaal voor haar een hoofdrol in zijn opera “Chérubin” (1905).

In 1907 overtuigde Oscar Hammerstein Mary ervan om toe te treden tot het Manhattan Opera House in New York City. Ze had er onmiddellijk heel veel succes. Tegen 1910 kende iedereen in Amerika haar naam en stond ze op de planken in verschillende grote Amerikaanse steden zoals Boston en Philadelphia. Tussen 1910 en 1932 werkte Mary in verschillende operahuizen in Chicago. Ze werkte eerst bij de Chicago Grand Opera Company (van 1910 tot 1913) ging in 1915 naar de Chicago Opera Association, waar ze regisseur werd in 1921. Ze was er verantwoordelijk voor de wereldpremière van Sergei Prokofiev’s “The Love of Three Oranges”. Helaas ging deze opera failliet in 1932. Niet lang daarna werd ze regisseur van de Chicago Civic Opera waar ze verantwoordelijk was voor de opera “Camille” van Hamilton Forrest. Mary was ook te zien in twee stomme films gemaakt door Samuel Goldwyn: “Thais” (1917) en de oorlogsromance “The Splendid Summer” (1918). Zonder haar zangstem werd haar acteerspel bekritiseerd en de films flopten.

Na haar pensioen aan de opera in 1934, na een laatste optreden als Katyusha in Franco Alfano’s “Risurrezione” werkte ze als talentscout voor MGM en gaf ze lezingen en recitals, meestal over het leven en de werken van Claude Debussy. Ze bleef dit toen tot 1949. In 1951 trok ze naar Schotland en publiceerde ze een succesvolle autobiografie “Mary Garden’s Story”. Dit boek staat vol fouten, te wijten aan Mary zelf die altijd graag overdreef en ze leed ook aan dementie toen het manuscript werd samengesteld.

Zoals beschreven in haar autobiografie was Mary Garden een archetypische diva die exact wist wat ze moest doen om haar eigen wil door te draven. Ze kende een paar erge ruzies met verschillende muzikale collega’s waaruit ze meestal als overwinnaar kwam. Op die manier verkreeg ze ook de controle over de Opera van Chicago. Haar flamboyante privéleven was ook vaak de reden van haar succes, haar affaires met (on)bestaande mannen werden dan ook uitvoerig beschreven in de kranten.

Haar stem is te horen op enkele opnames die ze maakte tussen 1903 en 1929 met Edison Records, Pathé, Columbia Records en de Victor Talking Machine Company. Haar opnames worden nog steeds gebruikt en mogen op veel interesse rekenen van operaliefhebbers. Mary zelf vond de kwaliteit van de opnames maar belabberd.

Mary Garden overleed in Inverurie, dicht bij Aberdeen, waar ze de laatste 30 jaar van haar leven doorbracht. Er is een klein park gewijd aan haar in Aberdeen.

Vertel anderen over dit artikel :
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Twitter
  • E-mail this story to a friend!
  • Netvibes
  • NuJIJ
  • Technorati
Geplaatst op 12 februari 2010 - 0 reacties op dit artikel.

Tags : , , , , , , , , ,

Geef jouw mening

Invulvelden met een (*) zijn verplicht in te vullen.