Bentham, Jeremy (1748-1832)

jeremy-benthamDe Engelse filosoof, jurist, econoom en politiek wetenschapper Jeremy Bentham riep in geschriften op tot tolerantie tegenover homoseksualiteit. Jeremy Bentham was de leider van de zogenaamde “utilitaire school van gedragsnormen”, waarvan het doel “het grootste geluk van het grootste aantal” was. Hij was de belangrijkste wetshervormer in het Engelsprekende deel van de wereld en in die rol bleef zijn invloed niet alleen beperkt tot Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika, maar ook in Frankrijk, Spanje en Latijns-Amerika kon hij zijn stempel drukken. Verschillende nieuwe republieken in Zuid- en Midden-Amerika vroegen hem om advies bij de opstelling van hun grondwet en wetten. In de Spaanstalige wereld, werd hij aangesproken als “el legislador del mundo” (de wetgever van de wereld).

Madame de Staël, een Franse waarneemster met een grote kennis over de Europese politiek en literatuur, vond dat haar tijdperk niet bekend mocht zijn als het tijdperk van Bonapare of Byron, maar als het tijdperk van Jeremy Bentham. Zijn internationale reputatie werd gevestigd door zijn “Principles of Morals en Legislation”, dat in 1789 verscheen. Napoleon, voor wie wethervormingen een hoofdzaak was, noemde het “een meesterwerk”.

Maar Jeremy Bentham schreef veel meer dan hij publiceerde. In het overzicht van zijn carrière dat verscheen in de “Dictionary of National Biography” in 1885 wordt melding gemaakt van de vele verhandelingen die bestonden rond het tijdstip van zijn dood, waarvan er vele nooit werd gepubliceerd en waarvan er vele waarschijnlijk nu ook nog zouden worden gelezen.

Tussen al deze geschriften zaten er honderden bladzijden, waaraan hij schreef over een periode van vijftig jaar, die we nu zouden beschouwen als een “studie” over homoseksualiteit. Jeremy Bentham durfde ze niet te publiceren tijdens zijn leven. Hoewel er een fragment van deze bladzijden werd gepubliceerd in 1931, werd er pas in 1985 een begrijpelijke en betekenisvolle samenvatting van deze studie gepubliceerd.

Jeremy Benthams interesse voor homoseksualiteit had te maken met wethervorming. In zijn tijd werden mannen die onder de Engelse wet werden veroordeeld voor “sodomie” vaak opgehangen, een straf die nog werd uitgevoerd lang nadat deze executies waren afgeschaft in de rest van Europa. Deze wrede straf werd door niemand bekritiseerd, noch in de pers, noch door wetgeleerden.

Jeremy Benthams taak als hervormer werd niet alleen moeilijk gemaakt door de macht van de Engelse vooroordelen, maar het was ook taboe om in het openbaar over homoseksualiteit te praten. In wetboeken en tijdens parlementaire debatten sprak men over homoseksualiteit met de Latijnse formule “peccatum illud horribile, inter Chrsitianos non nominandum” (die afschuwelijke misdaad waarover onder Christenen niet wordt gepraat). In zijn geschriften maakte Jeremy voorzichtig gewag over de grote angst die hij ervoer bij de gedachte om zijn mening over het thema openbaar te maken.

Om de Britse vijandelijkheid tegen te houden, deed Jeremy Bentham een beroep op de klassieke geschiedenis en literatuur en op de antropologische kennis van zijn tijd. Het kladachtige karakter van zijn informatie toont aan hoezeer beperkt geleerde bronnen waren in zijn tijd. Het werk van Jeremy was werkelijk dat van een pionier. Hoewel hij een uitstekende student Grieks en Latijn was in de Westminster School, bleef zijn kennis over klassieke teksten over homoseksualiteit beperkt tot deze van Thucydides, Xenophon, Plutarchus, Suetonius, Cicero en Plinius.

Hij was zich bewust van de homo-erotische poëzie van Catullus, Horatius en Vergillius. Hij citeerde vooral uit het werk van Vergillius en haalt het verhaal van Nisus en Euryalus aan als bewijs dat de Romeinen homoseksualiteit tolereerden. Verbazend is dat hij de werken “Symposium” en “Phaedrus” van Plato negeert, wat aantoont dat Plato bijna werd genegeerd in de tijd van Jeremy Bentham.

Tussen de ongepubliceerde geschriften zat een kort, literair woordspelletje, waarin Jeremy Bentham de satirische stijl van Swift combineerde met een zeer verbeeldingsvolle fantasie. In dit werkje, onder de titel “Castrations to Mr. B, from the Daemon of Socrates”, staat geschreven dat hoewel Socrates beweerde niet te zijn verleid door Alcibiades, zulke homorelaties geaccepteerd werden door de oude Grieken.

Het lijkt erop dat Jeremy Bentham zich eenzaam voelde in zijn oproep tot meer tolerantie voor homoseksualiteit. Hij beschrijft dat het publiek met veel plezier de doodstraf van homo’s bijwoont en het gezicht van een rechter die net twee mannen heeft veroordeeld tot de strop als “verrukt en uitgelaten”.

Ondanks het gebrek aan steun voor zijn liberale ideeën, schreef Jeremy Bentham in een tijdspanne van vijftig jaar regelmatig over de nood aan tolerantie van homo’s. Uiteindelijk schreef hij er vijfhonderd pagina’s over, verdeeld over vijf verschillende periodes: 1774, 1785, 1814, 1816-1818 en 1824. Dit is verbazingwekkend als we bedenken dat er geen verhandeling over homoseksualiteit werd gepubliceerd in Engeland voor 1883, toen John Addington Symonds tien exemplaren van zijn “A Problem in Greek Ethics” liet publiceren voor eigen gebruik. Het eerste echte boek met als thema homoseksualiteit, “Sexual Inversion” door Havelock Ellis, werd gepubliceerd in 1898 en werd door de gerechtshoven als obsceen beschouwd.

De vijfentwintig pagina’s tellende fragmenten, die Jeremy Bentham schreef in 1774, gaan over de intensiteit van de Engelse anti-homoseksuele gevoelens en hij vergelijkt deze met de mate aan tolerantie in het klassieke Griekenland en Rome. In 1785 maakte Jeremy een formele verhandeling in een opgepoetste en samenhangende stijl, waarschijnlijk met de bedoeling om deze uit te brengen. Het is niet duidelijk waarom dit uiteindelijk niet gebeurde. Onder de invloed van verhandelingen door Cesare Beccaria, Montesquieu en Voltaire, hadden de wethervormingen een krachtige stimulans gekregen in Europa.

Toch schrijft Jeremy Bentham in enkele nota’s die bij deze verhandeling zitten over de angst die hij voelt bij het schrijven over dit onderwerp en over hoe anders hij holebiseksualiteit ziet in vergelijking met zijn landgenoten: “Over dit onderwerp is het toegelaten om onbeperkt zwartgallig te zijn. Wreedheid en onverdraagzaamheid, de meest hatelijke en schadelijke gevoelen bij de mens, zitten verscholen achter een masker van deugdzaamheid.”

Misschien maakte Jeremy Bentham deze verhandeling om te verspreiden onder zijn Franse volgelingen, want er staan heel veel continentale meningen in. We weten niet of deze verhandeling hielp bij de legalisering van sodomie in Frankrijk in de revolutionaire “Code Pénal” uit 1791. Voltaire en Montesquieu waren beiden tegenstanders van de doodstraf voor sodomie maar ze zagen er wel sociale gevaren in. Volgens Voltaire was sodomie een gevaar voor de bevolking en Montesquieu was bezorgd dat de “verwijvende” invloed van sodomie de militaire kracht van Frankrijk zou verzwakken.

Als antwoord op deze bezorgdheden geeft Jeremy Bentham in zijn verhandeling voorbeelden van tolerante maatschappijen waar men last had van overbevolking en citeert hij Julius Caesar en Griekse generaals zoals Agesilaus, Xenophon, Themistocles, Aristides, Alcibiades en Alexander als voorbeelden van biseksuele mannen wiens militaire bekwaamheid opmerkelijk was.

Volgens Jeremy Bentham waren vooroordelen tegenover holebi’s voorbeelden van irrationele haat en antipathie. In één van zijn latere schrijfsels probeert hij een verklaring te geven voor wat wij nu kennen als homofobie. Volgens hem is de oorzaak ervan het bijgeloof in een wraakzuchtige god en in het verlangen van mannen om losbandig te leven zonder daarbij voor de buitenwereld het masker van deugdzaamheid te verliezen.

Hij beschuldigt de pers van die tijd ervan om de vooroordelen tegen homo’s te versterken waardoor een rationeel debat over het thema schier onmogelijk is. Verder schrijft hij ook dat Henry Fielding, Tobias Smollett en nog andere Franse en Duitse schrijvers in hun fictie homofobie gebruiken. In een verdediging voor homoseksueel gedrag schrijft Jeremy dat het tenminste geen zo’n slechte gevolgen heeft zoals ongewenste zwangerschap, abortus, kindermoord en prostitutie.

Ook schreef Jeremy een gedetailleerd voorstel naar William Beckford in 1817. William, de rijkste man van Engeland en de auteur van beroemde liefdesverhalen was helemaal verguisd door de Engelse maatschappij na een homoseksueel schandaal. Jeremy die William al kende van voor het schandaal, lijkt te willen samenwerken met hem aan een boek.

Het boek, dat de titel “Niet Paulus maar Jezus” zou krijgen, zou een verdediging worden voor homoseksualiteit. Het zou drie hoofdstukken bevatten die gewijd zouden zijn aan literaire en historische thema’s en wellicht dacht Jeremy dat William hem hiermee zou kunnen helpen. Waarom Jeremy met William wou samenwerken is niet geweten, waarschijnlijk kreeg William het voorstel nooit onder ogen, want het voorstel is niet helemaal afgewerkt.

Hoewel de samenwerking nooit plaatsvond, maakte Jeremy Bentham er wel een soort kladversie van. Hierin analyseert hij de bijbelse houding over homoseksualiteit. Jeremy schreef dat de verwoesting van Sodom niets te maken had met homoseksualiteit, maar eerder het resultaat was van een massaverkrachting. Hij duidde erop dat geen enkele profeet uit het Oude Testament de stad Sodom associeert met homoseksualiteit en ook Jezus doet dat niet.

Ook interpreteerde hij het verhaal van David en Jonathan als een homoseksueel liefdesverhaal, niet zoals dat van Aristogiton en Harmodius of dat van Nisus en Euralus. Ook durfde hij schrijven dat de Jezus en Johannes (“de geliefde leerling”) een homoseksuele relatie hadden.

Jeremy Bentham publiceerde wel een boek met de titel “Niet Paulus maar Jezus” in 1823 onder een pseudoniem. In dit boek wordt gewag gemaakt dat Paulus geen goede vertegenwoordiger is van Jezus en het christendom, maar wordt met geen woord gerept over homoseksualiteit.

Wat opvalt in de werken van Jeremy Bentham over homoseksualiteit is zijn poging om een woordenschat te vinden waaraan niet meteen negatieve bijklanken verbonden zijn. Met die poging lag hij zowat vijftig jaar voorop bij Duitse, Franse en Italiaanse seksuologen uit de late negentiende eeuw die voor het eerst een wetenschappelijke nomenclatuur voor seksueel gedrag ontwikkelden dat geen traditionele theologische of wettelijke connotatie had.

Jeremy Bentham was zich bewust van de schade die een negatieve woordenschat kon veroorzaken. Natuurlijk kende hij geen woord dat het juiste synoniem is voor de huidige term “homoseksueel”. Hij gebruikte vaak het woord “pederast”, soms in de oorspronkelijke zin als liefhebber van jongens, maar vaak bedoelde hij ermee ook een volwassen man die een seksuele relatie heeft met een ander man.

In zijn eerste geschriften en in zijn “Essay on Paederasty” (uit 1785) gebruikt Jeremy Bentham af en toe stereotiepe uitdrukkingen uit die tijd, waarbij hij naar homoseksualiteit verwijst met de term “die perverse voorkeur”. Later verwerpt hij die negatief geladen termen en gebruikt hij vernuftige alternatieven om homoseksualiteit mee aan te duiden. Hij gebruikt uitdrukkingen zoals “de ongewone lust” en (in een referentie naar de Griekse traditie) “de Attische manier”.

Vertel anderen over dit artikel :
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Twitter
  • E-mail this story to a friend!
  • Netvibes
  • NuJIJ
  • Technorati
Geplaatst op 03 augustus 2009 - 0 reacties op dit artikel.


Geef jouw mening

Invulvelden met een (*) zijn verplicht in te vullen.