Geschiedenis van Europese holebifilms 1916-2000

ABC

vingarne

"Vingarne" is de eerste bekende homofilm

Europese films zijn zeer invloedrijk geweest in de vormgeving van de geschiedenis van de holebicinema. Gedurende de eerste 30 jaren van het bestaan van de cinema (ongeveer van de jaren 1920 tot de jaren 1950) bevatten Europese films, net als hun Amerikaanse tegenhangers, zelden eerlijke, niet-bevooroordeelde voorstellingen van homoseksuele en lesbische personages en/of behandelden ze homoseksualiteit zelden als een ernstig thema.

Naarmate houdingen en ideeën in Europa zich doorheen de jaren 1960 en 1970 echter ontwikkelden, werden de levens en de cultuur van holebiseksuele mannen en vrouwen zichtbaarder, en films over seksueel gedrag werden explicieter. Bijgevolg waren filmregisseurs van holebiseksuele films in vele Europese landen in staat hun persoonlijke gevoelens op het scherm te brengen, waardoor ze zowel op artistiek als op sociaal vlak belangrijke films met holebigerichte onderwerpen uitbrachten. Hoewel een waaier aan verschillende stijlen waar te nemen valt, en heel wat gevarieerde onderwerpen aan bod kwamen, kunnen toch enkele gezamenlijke thema’s gevonden worden in vele Europese holebifilms, zoals conflicten tussen klassen en generaties, de benarde situatie van gemarginaliseerden, en het verlangen naar liefde en vrijheid in een onderdrukkende samenleving.

Vroege Europese holebifilms

De eerste bekende holebifilm werd geregisseerd door de Zweed Mauritz Stiller, genaamd “Vingarne” in 1916. Deze film is gebaseerd op de roman “Mikael” van Herman Bang. Het verhaal gaat over een beeldhouwer die zich aangetrokken voelt tot zijn jonge en knappe leerling (die zelf vooral tot vrouwen aangetrokken is). De jongere man profiteert bij elke gelegenheid van zijn baas, en hun romance eindigt op ongelukkige wijze, waarbij de oudere man sterft aan een gebroken hart.

Hetzelfde verhaal werd gebruikt door de Duitse cineast Carl Theodor Dreyer in 1924, onder de titel “Mikaël”. Net zoals in de eerdere Zweedse film, wordt de relatie tussen de twee mannen voorzichtig aangepakt en wordt ze vooral via vluchtige blikken en gemoedstoestand tot uitdrukking gebracht.

Een andere holebifilm is Richard Oswalds “Anders als die Andern” uit 1919, geschreven door Magnus Hirschfeld, de beroemde Duitse seksuoloog en stichter van het Instituut voor Seksuele Wetenschap in Berlijn. Conrad Veidt treedt op in de hoofdrol als een muzikant die gechanteerd wordt nadat hij toenadering zocht tot een vreemdeling tijdens een dansavond voor mannen. Het voorwoord van het verhaal was een direct tot de camera gerichte monoloog van Hirschfeld en het verhaald eindigde met een uitdrukkelijk pleidooi voor de afschaffing van Paragraaf 175, meer bepaald de Duitse wet die homoseksualiteit bestrafte. Nadat de film korte tijd gedraaid werd, werd ze verboden door de Duitse regering.

In 1931 regisseerde Leontine Sagan “Mädchen in Uniform”, één van de eerste films met een beduidend lesbische ondertoon. Deze film, gebaseerd op een stuk van de Duitse schrijfster Christa Winsloe, vertelt het verhaal van Manuela, een ongelukkig schoolmeisje dat naar een strenge kostschool gestuurd wordt, en zich romantisch aangetrokken voelt tot één van haar leraressen. Als Manuela haar liefde openlijk verklaart, wijst haar schoolhoofd zulke gevoelens resoluut af als zijnde zondig, en wordt de studente van school gestuurd. Nu Manuela gescheiden zal worden van haar geliefde, staat ze op het punt zelfmoord te plegen. Er werden twee mogelijke eindes voor de film bedacht: Manuela sterft, of, Manuela wordt door haar klasgenootjes gered. Deze laatste versie werd afgekeurd door Amerikaanse censoren; daarom was het meer tragische einde, waarbij het schoolmeisje onherroepelijk gestraft wordt voor haar gevoelens, decennialang de enige beschikbare versie in de Verenigde Staten.

Cocteau en Genet

Andere belangrijke voorbeelden van vroege Europese holebifilms omvatten de films van Jean Cocteau en Jean Genets “Un Chant d’Amour”.

Jean Cocteau was één van de meest veelzijdige Franse artiesten van de twintigste eeuw; behalve regisseur, was hij ook dichter, romanschrijver, schilder, toneelschrijver, decorontwerper en acteur. Hij kwam ook openlijk uit voor zijn homoseksualiteit; in veel van zijn films neemt zijn jarenlange geliefde Jean Marais een belangrijke plaats in.

Cocteaus eerste film, “Le sang d’un poète” uit 1930 verkent het proces van kunstcreatie aan de hand van een reeks onwezenlijke taferelen. Cocteau beweerde dat de film een poging was om te vertellen “waar de gedichten vandaan komen”. Hij ontkende dat de film enig symbolisme inhield, en in de plaats daarvan noemde hij de film “een realistische documentaire over onechte gebeurtenissen.”

Cocteau schreef dialogen en paste tijdens de volgende jaren verscheidene films aan voor het scherm, maar hij liet vijftien jaar voorbijgaan alvorens zijn tweede film te schrijven en te regisseren, “La Belle et la Bête” in 1946. Gebruikmakend van rake beelden, en van romantisch elegante decors en kostuums, vertelt Cocteau het verhaal (gebaseerd op een 19e eeuwse legende van Madame Leprince de Beaumont) van het eenzame en onbegrepen Beest, gespeeld door Jean Marais, die verliefd wordt op een mooie jongedame. “La Belle et la Bête wordt algemeen beschouwd als één van de meest fascinerende films aller tijden.

Vervolgens werkten Cocteau en Marais samen voor verscheidene films, waaronder “L’Aigle à Deux Têtes” in 1947, en “Les Parents Terribles” in 1948. Hun meest veelzeggende samenwerking was wellicht ‘’Orphée” in 1949. Cocteau situeert zijn navertelling van de Griekse mythe van Orpheus in het naoorlogse Parijs, en geeft Marais de rol van dichter die de geest van zijn overleden vrouw naar de Onderwereld volgt. In plaats van zijn vrouw te redden, laat hij haar echter achter in zijn zoektocht naar de schatten die de Dood met zich meebrengt. De zelfbewust homoërotische navertelling van Orpheus bevat frappante en originele beeldspraak; de film werd bekend door het gebruik van twee in leder geklede motorrijders als loopjongens van de dood.

Na de voltooiing van Orpheus, maakte Cocteau tien jaar lang geen eigen films meer; hij weet zijn terugtrekking aan het commercieel karakter van de cinema, en de afhankelijkheid van filmmakers van financiële sponsoren. Hij droeg echter bij tot films van anderen met zijn dialogen, vertellingen en occasioneel zijn scenario’s. Cocteau regisseerde zijn laatste film in 1960, “Le testament d’Orphée”, een andere navertelling van de legende van Orpheus, maar deze keer geherinterpreteerd als het verhaal van de 18e-eeuwse poëet die in de tijd reist, op zoek naar inspiratie. Cocteau bedeelde zichzelf de rol van poëet toe; de film bevatte ook niet toegeschreven verschijningen door o. a. Pablo Picasso, Jean Marais, en Charles Aznavour.

Een andere Franse artiest die een beduidende invloed had op zowel de holebi-cinema als de experimentale cinema was Jean Genet. Hoewel hij algemeen beter gekend was als romanschrijver en toneelschrijver, creëerde ook hij “Un Chant d’Amour”, één van de eerste en meest opvallende pogingen om homoseksuele passie op het scherm af te beelden.

De film die minder dan een halfuur duurt en een film zonder spraak is, vertelt het verhaal van drie gevangenen in eenzame opsluiting en de gevangenisopzichter. Realistische scènes waarin gevangenen hun gevoelens voor elkaar trachten te communiceren (bijvoorbeeld, twee gevangenen die een sigaret delen door de rook naar elkaar te blazen via een gat in de muur), geven vrij spel aan fantasiebeelden over seks tussen partners van hetzelfde geslacht.

Al vanaf zijn eerste release werd “Un Chant d’Amour” geconfronteerd met censuur en werd de film verboden in verschillende landen, op grond van obsceniteit. De film is expliciet in haar weergave van homo-verlangens: er worden scènes van masturbatie getoond, en de film is ook één van de eerste gewettigde, niet-pornografische films die beelden van erecties laat zien.

Holebi’s in een slachtofferrol

Een andere mijlpaal in de evolutie van de Europese holebicinema was de release van de Britse film “Victim” in 1961. De film, geregisseerd door Basil Dearden, heeft belangrijk pionierswerk verricht door de aandacht te vestigen op de negatieve publieke opvatting van homoseksualiteit in Groot-Britannië. In die periode golden in Groot-Britannië wetten tegen elke vorm van homoseksuele betrekkingen. Hierdoor werden homoseksuele mannen erg vatbaar voor chantage of onthulling. “Victim” gaat over een homoseksuele man, geportretteerd door Dirk Bogarde, die openlijk voor zijn geaardheid uitkomt maar het niet toepast, en die zijn huwelijk en carrière op het spel zet om een bende van afpersers op te sporen, die rijke homoseksuele mannen als het ware uitzuigen. Naar men weet is dit de eerste film in Groot-Brittannië die de term “homoseksueel” hanteert; de film werd initieel verboden in de VS, gewoonweg omdat het woord in de film uitgesproken werd.

Hoewel de film naar hedendaagse normen misschien wat braafjes mag lijken in de manier waarop ze homoseksualiteit weergeeft, is “Victim” toch een zeer moedige film. De cineasten van deze film, die gemaakt werd in de nasleep van het Wolfenden Rapport uit 1957, – dat aanbeval dat homoseksueel gedrag tussen instemmende volwassen niet langer als crimineel beschouwd mocht worden in Engeland – zetten zich bewust tot doel de Britse wet en de publieke opvatting van homoseksualiteit te veranderen. Zes jaar na de release van de film, werd via de “Sexual Offences Act” uit 1967 homoseksueel gedrag tussen instemmende volwassen ouder dan 21 jaar in Engeland en Wales eindelijk uit de criminele sfeer gehaald.

Naarmate politieke en sociale veranderingen plaatsgrepen in Europa doorheen de jaren 1960 en 1970, werd de afbeelding van holebiseksuele mannen en vrouwen op het scherm meer aanvaard, en wonnen verscheidene homoseksuele en lesbische regisseurs en hun holebi-films terrein. Onder deze regisseurs vinden we o.a. Luchino Visconti en Pier Paolo Pasolini (Italië), Rainer Werner Fassbinder en Rosa van Praunheim (Duitsland), Derek Jarman (Groot-Britannië), en Pedro Almodóvar (Spanje).

Visconti en Pasolini

Luchino Visconti wordt vaak genoemd als één van de stichters van het Italiaanse Neorealisme (samen met Roberto Rossellini en Vittorio de Sica), met films die zich laten opmerken door het gebruik van niet-professionele acteurs en naturalistische decors. Naarmate zijn werk zich verder ontwikkelde, werden Visconti’s films echter gestileerder en uiteindelijk ook professioneler. Visconti, die openlijk uitkwam voor zijn biseksuele geaardheid, gebruikte in zijn films weinig expliciet homoseksuele karakters, hoewel het idee van homo-erotiek vaak latent aanwezig was.

Visconti’s belangrijkste bijdrage tot de holebicinema is misschien wel “Morte a Venezia” uit 1971, een aanpassing van Thomas Manns’ klassieke homoërotische roman. De film vertelt het verhaal van Aschenbach, een ijdele auteur op leeftijd, die naar Venetië reist na een periode van artistieke en persoonlijke stress. Aschenbach, die geobsedeerd is door het ideaal van schoonheid en perfectie, wordt in vervoering gebracht door een knappe jongeman, Tadzio. Hoewel hij voorzien had slechts korte tijd in het Venetiaanse toevluchtsoord te blijven, verzint de auteur redenen om zijn vakantie te verlengen, ondanks de dreiging van het uitbreken van de dodelijke ziekte cholora. Aschenbach talmt door de stad en lokt zijn eigen dood uit in zijn zoektocht naar het begrijpen van de betekenis van perfectie.

Andere opmerkelijke films van Visconti bevatten ook zijn eerste speelfilm, “Ossessione” uit 1942, een clandestiene versie van de roman “The Postman Always Rings Twice”, van James M. Cain. Op subtiele wijze portretteert Visconti de vriendschap tussen de jonge zwerver Gino en een straatgoochelaar als een homoromance die slechts door één van de twee personages ervaren wordt. Bijvoorbeeld, in één van de scènes liggen de twee mannen samen in bed en de straatgoochelaar strijkt een lucifer aan om Gino’s mooie gezicht te bekijken terwijl hij slaapt.

“Rocco e i suoi fratelli” uit 1960 gaat over enkele Zuid-Italiaanse boeren die zich naar Milaan begeven in hun zoektocht naar economische stabiliteit. De film bevat een ondergeschikte plot waarbij een bokspromoter jonge mannen voor seks betaalt.

“Il Gattopardo” uit 1963, één van Visconti’s meest gewaardeerde films, toont het verval van de Siciliaanse aristocratie gedurende de Risorgimento – de 19e eeuwse beweging die leidde tot de Italiaanse éénmaking –, een onderwerp dat nauw verbonden is met Visconti’s eigen familiegeschiedenis.

Visconti exploreert de opkomst van het Nazisme in “La Caduta degli dei” uit 1969, een portret van de desintegratie van een Duitse industriële familie tijdens het Derde Rijk. Homo-erotiek teelt wierig in deze film. Helmut Berger, die de rol speelt van de kleinzoon en opvolger van de Duitse industrialist, treedt voor de eerste keer op in de film verkleed als Marlene Dietrich; een expliciete homo-orgie gaat voor aan een scène die de ‘De Nacht van de Lange Messen’ weergeeft, 30 Juni 1934, wanneer Hitler het feestje van zijn homoseksuele bondgenoot Ernst Röhm en een 300-tal andere leden van ‘De Bruinhemden’ ‘zuiverde’. De gestileerde decadentie voorgesteld door Visconti was zo treffend dat de film in de VS aanvankelijk werd uitgebracht met een X-waardering.

“Ludwig II” uit 1972 is Visconti’s verfilmde biografie van de 19e eeuwse homoseksuele “gekke” Koning Ludwig II van Beieren. De film bevat een portret van de koning op leeftijd die geobsedeerd is door een knappe jonge acteur, en toont een ‘mannenorgie. De film “Gruppo di famiglia in un interno” uit 1974 is een bundeling van de thema’s die deel uitmaken van de meeste films van Visconto: de desintergratie van familie, het verval van traditionele waarden, en de obsessieve zoektocht naar schoonheid.

Dichter, schilder, toneelschrijver, essayist, en romanschrijver, Pier Paolo Pasolini is buiten Italië vooral bekend als cineast. Inderdaad, Pasolini wordt beschouwd als één van de meest betekenisvolle regisseurs die zijn optocht doet in de tweede golf van de Italiaanse cinema in de jaren ‘60. Hoewel hij politiek radicaal is en openlijk uitkomt voor zijn homoseksualiteit, verwijst hij toch minder regelmatig naar homoseksualiteit in zijn films.

Pasolini’s eerste film, “Accattone” uit 1961, aangepast aan zijn eigen roman “Una vita violenta” is een realistische weergave van het leven van een ‘accattone’, of anders gezegd, een pooier, in de kleincriminele onderwereld van Rome. De sympathie die in de film getoond wordt voor de amorele karakters zorgde onmiddellijk voor opschudding; de Italiaanse autoriteiten wilden de film aanvankelijk verbieden, maar lieten uiteindelijk een release toe waarbij enkel volwassenen de film mochten zien.

Zijn volgende film, “Mamma Roma” uit 1962, met Anna Magnani in de hoofdrol, exploreert dezelfde gronden, en focust op een vrouw die door het noodlot teruggedreven wordt naar haar vroegere leven als prostituée. Deze film verkreeg ook een officiële censuur gezien de film een ‘aanfluiting was van de betamelijkheid’, maar na lange gerechtelijke stappen werd de film dan toch vrijgegeven.

Met zijn derde film “La ricotta” lokte Pasolini opnieuwe publieke opschudding en gerechtelijke procedures uit. Pasolini werd gevraagd een episode bij te dragen aan de compendiumfilm uit 1963 genaamd “RoGoPaG” (genoemd naar de vier deelnemende regisseurs: Rossellini, Godard, Pasolini, en Gregoretti). In Pasolini’s kortfilm vindt een tweederangscrimineel werk als figurant in een film over het leven van Christus. Wanneer hij de rol toegewezen krijgt van één van de dieven die samen met Christus aan het kruis genageld werden, wordt hij ironisch genoeg getroffen door een fatale indigestie-aanval, en sterft hij ook echt aan het kruis. De Italiaanse autoriteiten beschouwden deze film als een ‘aanval op de gevestigde religie’; Pasolini stond bijgevolg terecht wegens godslastering en kreeg een voorwaardelijke straf van drie maanden. Een behoorlijk gewijzigde versie van Pasolini’s film mocht uiteindelijk uitgegeven worden.

Men kon verwachten dat zijn volgende speelfilm “Il Vangelo secondo Matteo” uit 1964, verteld in een soort van documentairestijl, opnieuw voor opschudding zou zorgen en gecensureerd zou worden. Ditmaal echter werd de film geprezen door Katholieke organisaties als zijnde één van de weinige eerlijke portretteringen van Christus op het scherm, maar tezelfdertijd bekritiseerden linksgezinden de film en spraken zij van pietisme en hagiografie. Ondanks, of gedeeltelijk misschien dankzij deze controversie, verkreeg Pasolini met deze film zijn eerste internationale erkenning.

Pasolini’s volgende film was “Uccelacci e uccellini” uit 1966, over de avonturen van een vader en zijn zoon (de zoon werd gespeeld door Ninetto Davoli, Pasolini’s kortstondige liefde). Vervolgens keerde Pasolini zijn aandacht op het mytische verleden, met de film “Edipo re” in 1967.

Pasolini koos voor een meer eigentijds kader met “Teorema” in 1968, één van zijn meest controversiële werken. Het verhaal gaat over een knappe, mysterieuze vreemdeling die ongemerkt binnendringt in het huis van een bourgeois Milanese familie en overgaat tot het fysisch en emotioneel verleiden van alle leden van het gezin, inclusief de vader en de jonge zoon. De Katholieke autoriteiten voelden zich verontwaardigd door de film en lieten hem intrekken, en beschuldigden de regisseur van obsceniteit. De aanklacht werd twee jaar later dan toch opgeheven en de film werd formeel uitgegeven in 1970.

In de vroege jaren 1970 concentreerde Pasolini zich op weelderige, erotische aanpassingen van klassieke teksten, die hij destijds karakteriseerde als zijn meest “niet-politieke” films. “Il Decameron” uit 1971, “I racconti di Canterbury” uit 1972, en “Il fiore delle mille e una notte” uit 1974 bezorgden Pasolini zijn grootste commerciële succes en grootste publiek. Later beweerde Pasolini dat deze films net zijn “meest politieke” films waren; de politiek was seksueel in de geërotiseerde mannelijke en vrouwelijke lichamen die op het scherm geprezen werden.

Pasolini’s laatste film is de erg controversiële “Salò o le 120 giornate di Sodoma” uit 1976, een besliste en expliciete samensmelting van Mussolini’s Fascistische Italië en de filosofieën van de Markies de Sade. Scènes met verkrachtingen, sodomie, coprofagie, seksuele vernedering, en marteling worden herhaald getoond. De film werd twee weken na Pasolini’s dood uitgegeven (en opnieuw ingetrokken op beschuldiging van obsceniteit) door een mannelijke prostitué. Salo werd vervolgens gedurende meerdere jaren verboden in Italië, en bijna alle andere landen.

Fassbinder en de Nieuwe Duitse Cinema

Eén van de meest opmerkelijke cinemaverschijnselen was de korte maar krachtige carrière van de Duitse cineast Rainer Werner Fassbinder, die overleed op 36-jarige leeftijd. Er zijn weinig andere regisseurs in het cinemaverleden die zo’n hoog niveau van productiveit konden bereiken. Tussen 1966 en 1982 maakte Fassbinder 44 films voor theatrale release of televisierelease. Zijn buitengewone prestatie ging gepaard met een wilde, zelfvernietigende aard die hem enerzijds de reputatie van ‘enfant terrible’, en anderzijds de centrale figuur van de Nieuwe Duitse cinema opleverde. Hoewel hij openlijk homoseksueel was (hij kondigde zijn homoseksuele geaardheid aan zijn vader aan op 15-jarige leeftijd), trouwde hij tot tweemaal; één van zijn twee echtgenotes acteerde in zijn films en de andere was zijn editor.

Fassbinders’ films tonen vaak het hopeloze verlangen naar liefde en vrijheid en de vele manieren waarop de maatschappij, en het individu, dit belemmeren. Vele van zijn films gaan spontaan om met seksualiteit; homoseksuele thema’s komen hierbij vaak aan bod, zowel centraal als secundair bij de plots.

Fassbinder kende zijn eerste internationale succes met “Die Bittere Tränen der Petra van Kant” uit 1972, een zeer gestileerde film die zowel een hulde is aan als een deconstructie van Hollywood’s ‘women’s pictures’ van de jaren ‘40 en ‘50. Het verhaal (aangepast aan Fassbinders’ eigen toneelstuk) gaat over een lesbische liefdesrelatie en haar gevolgen tussen een succesvolle modeontwerpster en een jong model uit de arbeidersklasse.

In “Faustrecht der Freiheit” uit 1975 – Fassbinder werkt hierbij opnieuw in de stijl van het Hollywood melodrama – staat een homoseksuele circuswerker centraal (gespeeld door Fassbinder zelf) die een grote som geld wint in een staatsloterij, en die bevriend is met en systematisch uitgebuit wordt door een groepje jongere bourgeois homoseksuele mannen. Fassbinder wordt hierna door sommige homoseksuele en lesbische critici afgeschilderd als zijnde homofobisch, maar hij benadrukt dat hij de aandacht niet zozeer wilde vestigen op het seksueel gedrag als wel op de machtsrelaties tussen personen die seksueel met elkaar betrokken zijn, en de kruising van leeftijd, schoonheid en sociale klasse.

Fassbinder verkent zijn eigen zelfvernietigende neigingen in “Satansbraten” uit 1976, over een artiest genaamd Kranz die niet langer in staat is te creëren. De film bevat verscheidene seksueel expliciete scènes gespeeld als surrealistische komedie. In een bepaalde scène krijgt hij op een publiek toilet een oneerbaar voorstel van een mannelijke hoer die tijdens hun conversatie direct voor de camera masturbeert. In een andere scène wordt Kranz in elkaar geslagen door een pooier en ontdekt dat hij van die pijn geniet.

De film “In einem Jahr mit 13 Monden” uit 1978 verkent problemen van seksuele identiteit en het typische Fassbinder thema van de “buitenstaander tussen buitenstaanders” in het verhaal van Elvira, een man-tot-vrouw-transseksueel die tijdens de laatste dagen voor haar zelfmoord beslist enkele van de belangrijkste plaatsen en personen in haar leven te bezoeken. In een virtuoze scène dwaalt Elvira door het slachthuis waar ze voordien werkte als Erwin, en denkt ze terug aan haar verleden te midden van de slachting. Het werk, dat gefilmd werd in de nasleep van de zelfmoord van Fassbinders’ ex-geliefde, is een medogenloze, emotioneel openhartige en diep persoonlijke studie van de menselijke zoektocht naar liefde, goedkeuring en aanvaarding.

Fassbinders’ meest bekende homoërotische werk is zijn laatste film “Querelle” uit 1982, aangepast aan Jean Genets’ roman “Querelle de Brest”. De film – een verafgoodde, opzichtige analyse van de verschillende soorten liefde en seksualiteit – handelt over een jonge matroos (gespeeld door de Amerikaanse acteur Brad Davis) die zijn homoseksuele aard ontdekt. In de eerste van vele erotisch geladen scènes verliest Querelle opzettelijk een weddenschap en staat hij toe dat de echtgenoot van de eigenaar van het plaatselijke bordeel homoseksuele daden met hem uitvoert. Om het verhaal te vertellen maakte Fassbinder gebruik van archetypische homoseksueel getinte beeldspraak zoals in leder gekleede mannen en lichtzinnige matrozen in witte uniformen, en een zelfbewust gestileerd landschap van fallusarchitectuur.

Fassbinder overleed in 1982 aan een overdosis slaappillen en cocaïne.

Een andere productieve cineast van de Nieuwe Duitse Cinema met een zeer geïndividualiseerde stijl was Rosa von Praunheim (geboren als Holger Mischwitzky). Hij koos de naam Rosa als zinspeling op de roze driehoek die homo’s verplicht moesten dragen in de concentratiekampen van de Nazi’s.

Von Praunheim begon zijn carrière op het einde van de jaren 1960. Hij ontwikkelde een confrontatiebenadering tot het maken van films, waarbij hij de kijkers niet spaart en inspirerende en optimistische behandelingen van homoseksueel leven expliciet afwijst. Volgende uitspraak van hem wordt vaak geciteerd: “Ik wil het publiek geen aangename tijd bezorgen bij het bekijken van mijn films; ik wil hen eerder van streek maken”.

In 1971 verwof von Praunheim algemene bekendheid en deed hij stof opwaaien in heel Duitsland met zijn film “Nicht der Homosexuelle ist pervers, sondern die Situation” uit 1971. Het verschijnen van deze film wordt cruciaal genoemd voor de oprichting van de nieuwe Duitse homorechtenbeweging. Zijn film “Armee der Liebenden oder Revolte der Perversen” uit 1979 bespreekt de Amerikaanse holebirechtenbeweging van de jaren vijftig tot 1976.

Met de zwarte komedie, “Ein Virus kennt keine Moral” uit 1985 maakte von Praunheim één van de eerste speelfilms over AIDS. Vervolgens regisseerde hij een trilogie van films over AIDS en AIDS-activisme: “Positiv”, “Schweigen = Tod”, en “Feuer unterm Arsch”, alledrie gemaakt in 1990.

In 1992 regisseerde hij het levensverhaal van de Oost-Duitse travestiet Charlotte von Mahlsdorf, “Ich bin meine eigene Frau”, waarbij hij zowel documentair materiaal als speelacteurs aanwendt. “Vor Transsexuellen wird gewarnt” uit 1996, oorspronkelijk gemaakt voor de Duitse televisie, toont de transseksuele gemeenschap.

In “Der Einstein des Sex” uit 1999 staat de homoseksuele seksuoloog Magnus Hirschfeld centraal. “Can I Be Your Bratwurst, Please?” uit 1999, een dertig minuten durende komedie is een film met in de hoofdrol de homoseksuele pornografische icoon Jeff Stryker.

Frank Ripploh is een andere Duitse homoseksuele cineast wiens werk veel stof deed opwaaien. Ripploh verkreeg internationaal filmhuissucces met zijn eerste speelfim “Taxi zum Klo” uit 1981, een expliciete vertolking van zijn eigen seksuele avonturen en fantasieën. Hij greep naar een zelfde stijl terug enkele jaren later met de film “Taxi nach Kairo” uit 1987, waarin de moeder van de hoofdrolspeler dreigt hem te onterven als hij niet trouwt en gesetteld geraakt. Ripploh sterft in 2002 op 52-jarige leeftijd.

Regisseur Wolfgang Peterson kreeg voor de eerste maal erkenning met zijn film “Die Konsequenz” uit 1977, een te zwak uitgedrukt en alles behalve sentimenteel verhaal over het openlijk uitkomen voor een seksuele geaardheid. Behalve medeauteur, was hij eveneens regisseur van deze film. Vervolgens kreeg Peterson ook internationale aandacht met de film “Das Boot” uit 1981, een oorlogsdrama over de bemanning van een Duitse U-boot. Uiteindelijk ging hij zich in California vestigen, waar hij vanaf dan een reeks mainstream Hollywood films regisseerde.

De Duitse cineaste Ulrike Ottinger is een belangrijk figuur geworden in de lesbische cinema met haar extravagante avant-gardefantasieën. De aantrekkingen en verlangens van haar vrouwelijke personages worden nooit openlijk getoond, maar zijn wel subtiel gecodeerd in de gestileerde mise-en-scène van haar films.

In haar eerste film, “Laokoon und Söhne” uit 1975, wordt de hoofdrol vertolkt door Tabea Blumenschein, een actrice uit alternatieve films en Ottingers’ geliefde op dat moment. Ottinger en Blumenschein werkten opnieuw samen voor de film “Madame X—eine absolute Herrscherin” uit 1978, een satirische en erotische fantasie, die cultstatus verwierf, en ging over een groep vrouwen die een vrouwelijk pirate vergezelden op haar zeereizen.

Ottinger heeft ook een aantal documentaries geregisseerd, voornamelijk over gemarginaliseerde culturen, zoals “China. Die Künste—Der Alltag“ in 1985, over het alledaagse leven in de Chinese provincies Sichuan en Yunnan; “Taiga” in 1992, over nomadische stammen in het noorden van Mongolië; en “Exil Shanghai” in 1997, het verhaal van zes verbannen Joden in Shangai die zich later in de Verenigde Staten vestigden.

Monika Treut verkende controversiële sociale problemen en zegevierde overschrijdende seksualiteit in films zoals ”Verführung: Die grausame Frau” uit 1985, over de psychologische aspecten van sadomasochisme, en “Die Jungfrauenmaschine” uit 1988, waarin een Duitse journaliste de lesbische subculturen van San Fransisco onderzoekt.

De compilatiedocumentaire “Female Misbehavior” uit 1992 is wellicht Treuts’ meest bekende werk. “Bondage” uit 1983 onderzoekt de lesbische S&M en bondage scène; “Annie” uit 1989 brengt de lesbische performance artieste Annie Sprinkle onder de aandacht; “Dr. Paglia” uit 1992 vestigt de aandacht op de criticus Camille Paglia; en “Max” uit 1992 vertelt de vrouw-tot-man transseksuele ervaring van Max Velerio.

Derek Jarman en de Britse Film

De Britse cineast Derek Jarman was een bijzonder eigenaardige artiest bekend omwille van zijn opulente beeldspraak, sociale kritiek en vrijpostige verkenningen van homoseksualiteit. Routineus keerde hij terug naar de geschiedenis vanuit een homoseksueel standpunt, en zijn werk werd beïnvloed door Europese homoseksuele cineasten zoals Cocteau, Fassbinder, en Pasolini, en de Amerikaanse undergroundregisseur Kenneth Anger.

“Sebastiane” uit 1976, Jarmans’ eerste speelfilm (met Paul Humfress als co-regisseur), is een openlijk homoërotische vertolking van het leven en de lijdensweg van Saint Sebastian, waarbij de dialogen volledig in het Latijn worden gesproken. De film vangt aan met een lange scène in een Romeinse orgie waar naakte mannen bedekt met lichaamsschilderingen dansen terwijl ze komisch overdreven grote penissen dragen. De expliciete inhoud en de baanbrekende mannelijke frontnaaktheid leverde de film bij de eerste release een X-waarderingscijfer op; later werd de film een kritisch en commercieel succes.

Jarmans’ volgende film was “Jubilee” uit 1977, een politieke fantasiefilm waarin Queen Elizabeth I doorheen de tijd reist en in een Engeland van geweld en anarchie terechtkomt en “The Tempest” uit 1979, een visueel rijke herwerking van Shakespeares’ toneelstuk. Jarman greep opnieuw terug naar Shakespeare voor zijn volgende speelfilm, “The Angelic Conversation” uit 1985, een unieke, niet-vertellende verkenning van het onderliggend thema van homoseksueel verlangen in veertien van Shakespeares’ Sonnetten.

“Caravaggio” uit 1986, waarin de kunst en de seksualiteit van de Italiaanse schilder uit de laat-Renaissance wordt onderzocht, is wellicht Jarmans’ bekendste werk. De film wordt opzettelijk op anachronistische wijze verteld – motorfietsen en jazz muziek worden gemengd met rijk vertolkte, nauwgezette recreaties van Carvaggio’s meest bekende werken – en legt de nadruk op de homoseksuele verhoudingen van de artiest met zijn modellen en de verschillende schandalen waarin hij betrokken was.

In 1991 maakte Jarman een filmversie van Christopher Marlowes’ toneelstuk “Edward II”. Hoewel de film relatief trouw bijft aan Marlowes’ Elizabethaanse tekst, toch vormde Jarmans’ regie het bronmateriaal om tot een parabel van de homoseksuele lijdensweg tegenover de geïnstitutionaliseerde homofobie, met directe referentie naar de onderdrukkende aard van de Britse politiek onder Thatcher. Jarman vergrootte de film met grafische visualisaties van homoseksuele liefde en sadomasochistisch geweld.

Andere opmerkelijke films van Jarman zijn “The Last of England” uit 1988, “War Requiem” uit 1989, “The Garden” uit 1990, “Wittgenstein” uit 1993, en zijn laatste werk “Blue” uit 1993 waarin een soundtrack van stemmen, geluidseffecten en muziek nauw met elkaar verweven zijn, met een sober, onveranderlijk kobaltblauw scherm als achtergrond om Jarmans’ ervaringen met AIDS uit te drukken.

Jarman overleed aan een AIDS-gerelateerde ziekte in 1994.

De Britse cineast Terence Davies begon zijn carrière met de kortfilms “Children” uit 1976, “Madonna and Child” uit 1980, en “Death and Transfiguration” uit 1983. Deze zeer persoonlijke films vertellen het leven van de hoofdrolspeler van zijn kindertijd tot de dood en onderzoeken hoe hij omgaat met zijn familie uit de arbeidersklasse, zijn religieuze opvoeding, en zijn eigen homoseksualiteit. Deze drie films werden samen uitgebracht in 1984 onder de titel “The Terence Davies Trilogy”.

Davies’ eerste speelfilm, het autobiografische “Distant Voices, Still Lives” uit 1988, stemt overeen met de regisseurs’ eigen harde leven in Liverpool in de jaren 1940 en 1950. De film kreeg internationale erkenning omwille van haar structurele vernieuwingen en lyrische beeldspraak. Davies’ volgende film was “The Long Day Closes” uit 1992, een ietwat meer verheven kijk op de katholieke kindertijd in de arbeidersklasse, opnieuw gesitueerd in Liverpool.

Davies zette zijn carrière verder met niet-autobiografische films, zoals “The Neon Bible” uit 1995”, geïnspireerd door de roman “A Confederacy of Dunces” van John Kennedy Toole, en “The House of Mirth” uit 2000, gebaseerd op de roman van Edith Wharton.

Andere opmerkelijke holebifilms zijn o.a. het baanbrekende “A Taste of Honey” uit 1961, geregisseerd door Tony Richardson, over een jonge ongehuwde zwangere vrouw die bevriend raakt met en gaat samenwonen met een homoseksuele kunststudent. De film, gebaseerd op een toneelstuk van Shelagh Delaney, vertolkte één van de eerste sympathieke portretteringen van een homoseksueel personnage in de geschiedenis van de cinema.

John Schlesingers’ “Sunday Bloody Sunday” uit 1971 is het verhaal van een jonge, biseksuele beeldhouwer die zijn affectie verdeelt tussen een gescheiden vrouw en een welgestelde mannelijke dokter. “Maurice” uit 1987, gemaakt door het onderscheiden partnerschap van James Ivory (regisseur) en Ismail Merchant (producer), en gebaseerd op de postuum gepubliceerde roman van E.M. Forster, gaat over een man uit de betere kringen die in het reine komt met zijn homoseksuele geaardheid in het Edwardiaanse Engeland.

Stephen Frears’ vroege speelfilms “My Beautiful Laundrette” uit 1985, het verhaal van een rasoverschreidende, klassenoverschreidende en zelfde-sekse relatie in Londen, en “Prick Up Your Ears” uit 1987, een studie van de homoseksuele Britse toneelschrijver Joe Orton, die op het toppunt van zijn faam vermoord werd door zijn mentor en geliefde Kenneth Halliwell, zijn eveneens opmerkelijke toevoegingen aan de geschiedenis van de holebicinema.

Sally Potters’ film “Orlando” uit 1992, gebaseerd op de verbeeldingsvolle roman van Virginia Woolf, gaat over een transseksueel personnage die geboren wordt als een edelman in het Elizabethaanse tijdperk en in de loop van zijn/haar leven van geslacht verandert. “Dezelfde persoon, geen enkel verschil. Gewoon een ander geslacht”, merkt Orlando op, wanneer hij in slaap valt als man en wakker wordt als vrouw. Orlanda wordt gespeeld door de actrice Tilda Swinton; Queen Elizabeth I wordt uitgebeeld door de openlijk homoseksuele schrijver en performance artiest Quentin Crisp.

Andere belangrijke Britse werken zijn “Beautiful Thing” uit 1996, geregisseerd door Hettie MacDonald, een liefdesverhaal tussen twee tienerjongens in een Londense woningbouwproject, en “Brian Gilbert’s Wilde” uit 1997, over de dichter en toneelschrijver Oscar Wilde, met de openlijk homoseksuele acteur Stephen Fry in de titelrol.

Pedro Almodóvar en Eloy de la Iglesia

Pedro Almodóvar is internationaal de meest gewaardeerde cineast die zijn opkomst deed in het post-Franco Spanje. Hij begon zijn carrière met het maken van kortfilms in de vroege jaren 1970. Zijn vroegste prestaties werden kulthits, maar zijn derde speelfilm, “Entre tinieblas” uit 1983, een extravagante komedie over een zanger in een nachtclub die zijn toeverlaat zoekt in een klooster van delinquente nonnen (die zich bezondigen aan wereldlijke plezieren zoals harddrugs en softporno), bezorgde de regisseur een nog breder publiek.

Almodóvars’ bekendheid steeg verder met de films “¿Qué he hecho yo para merecer esto?!!” uit 1984, en “Matador” uit 1986, die zijn onderscheiden stijl bevestigden van het combineren van elementen van homoseksueel gedrag, komedie, melodrama en seksuele intrige die vaak de grenzen van de sociaal aanvaardbare normen overschrijden.

“Mujeres al borde de un ataque de nervios” uit 1988, een uitgebreide klucht die de clichés van vrouwelijke histerie weergeeft, werd Almodóvars’ eerste wereldsucces. Met films zoals “¡Átame!” uit 1990, “Tacones lejanos” uit 1991, en “Kika” uit 1993, ging Almodóvar doorheen de jaren 1990 verder met het maken van felgekleurde realisaties met tragikomische plots waarbij vaak gefocused werd op de dood, verkrachting, geweld en verraad.

Met de release van “Todo sobre mi madre” uit 1999, bracht Almodóvar meer verfijning en emotionele subtiliteit in zijn werk. De film gaat over een vrouw die, na de tragische dood van haar tienerzoon, door de onderwereld van Barcelona trekt in haar zoektocht naar de nu transseksuele vader van haar zoon. Almodóvar ging voort met “Hable con ella” uit 2002, een complex verhaal over liefde, obessie en verlies.

Almodóvars’ meest betekenisvolle homogerelateerde film, evenals zijn meest openlijke en persoonlijke werk, is “La ley del deseo” uit 1987. Deze film met ingewikkelde plot – deels fantasie, deels mysterie van een moord, en deels erotisch komedie – draait rond Pablo, een homoseksuele schrijver/regisseur die vurig verliefd is op een jongere man, Juan, die niet zal reageren op diens affectie. Onder Almodóvars’ regie wordt deze film zowel een waardering als een satire op de ‘regels’ van de romantische liefde.

Een van de eerste Spaanse regisseurs die actief was binnen de holebicinema is de van Baskische origine zijnde Eloy de la Iglesia. De la Iglesia, een uitgesproken homoseksueel, beweerde dat zijn films handelen over “die wereld waarover de meerderheid van de cineasten niet wil spreken, de marginale wereld”. Zijn films tonen vaak homoseksuele, of anders gezegd, marginale personnages. De la Iglesia verklaarde dat hij een regisseur is die “altijd films wil maken waarvan men verwacht dat ze niet gemaakt worden” over onderwerpen “waar iedereen het over eens is dat men er niet over moet praten”. Ondanks censuurbeperkingen en vijandige reacties van Katholieke leiders op veel van zijn films, heeft de la Iglesia als regisseur toch commercieel succes gekend, vooral in Spanje.

De la Iglesia begon zijn filmcarrière in 1966 met “Fantasia … 3”, een collectie van drie kortfilms gebaseerd op kinderverhalen van Hans Christian Andersen, L. Frank Baum en de Gebroeders Grimm. Zijn eerste commerciële succes in zijn geboorteland kende hij met “El techo de cristal” uit 1971; twee jaar later verwierf de la Iglesia voor het eerst internationaal succes met de release van “La semana del asesino” uit 1974, een gewelddadig verhaal van een jongeman die aan het moorden gaat. De film bevat ook een homoseksueel personnage dat voorgesteld wordt op een open, niet-stereotiepe manier.

De dood van Francisco Franco in 1975 bracht meer latitude en een nieuwe openheid voor artiesten in Spanje. Als resultaat creëerde de la Iglesia “Los placeres ocultos” uit 1977, de eerste homofilm die in Spanje gerealiseerd werd. De film gaat over een stiekeme homoseksuele bankier die aangetrokken is tot een arme, heteroseksuele jongeman. De bankier brengt de jongeman in zijn leven, en hoewel de aantrekking maar van één kant komt, accepteert de jongeman de situatie en betrekt hij zelfs zijn vriendin in de situatie.

In 1979 grijpt de la Iglesia opnieuw naar een gelijkaardig onderwerp met “El Diputado”, het verhaal van een getrouwd homoseksueel congreslid die zijn politieke carrière op het spel zet wanneer hij verliefd wordt op een jongeman en hem tracht te integreren in zijn familiaal leven. De homoseksuele relatie in deze film kent echter een tragisch einde.

De la Iglesia zette zijn carrière voort met films zoals “El sacerdote” uit 1979, dat verbannen werd door de Katholieke Kerk en zwaar gecensureerd werd bij haar eerste release; “Colegas” uit 1980, en “El pico” uit 1983. Na een afwezigheid van 15 jaar, maakt de la Iglesia zijn comeback met “Los novios búlgeros” uit 2003, een komedie over seksuele obsessie, over een homoseksuele advocaat van middelbare leeftijd die verliefd wordt op een knappe, jonge vreemdeling.

Andere opmerkelijke Europese films

Andere opmerkelijke cineasten in de geschiedenis van de Europese holebicinema zijn o.a. de in België geboren Chantal Akerman, wiens werken – die typisch gefilmd werden op een directe maar toch afstandelijke wijze – thema’s zoals vervreemding, voyeurisme, en marginalisering aanhalen. “Je, tu, il, elle” uit 1974 gaat over de zoektocht van een jonge vrouw naar seksuele kennis; in het laatste deel van de film daagt de jonge vrouw, gespeeld door Akerman zelf, op in het huis van een andere vrouw, waar zij samen de liefde bedrijven. “Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Bruxelles” uit 1976 – misschien wel Akermans’ meest bekende film – focust op een jonge weduwe uit de middenklasse wiens leven uit elkaar dreigt te vallen doordat ze met volharding probeert haar rol als huisvrouw en moeder te vervullen, terwijl ze discreet als prostituée werkt.

De film “Una giornata particolare” uit 1977 van de Italiaanse regisseur Ettore Scola, waarin zowel Sophia Loren als Marcello Mastroianni een rol hebben, gaat over een vrouw die zich ontfermt over haar homoseksuele buur op de avond van Hitlers’ bezoek in 1938 aan het Fascistische Italië.

De Deense films “Du er ikke alene” uit 1978, mede-geregisseerd door Ernst Johansen en Lasse Nielsen, en “Venner for altid” uit 1987 geregisseerd door Stefan Henszelman, gaan beiden over de verwarring die homoseksuele jongeren ervaren wanneer ze zich bewust worden van hun homoseksualiteit.

Benoemenswaardige Franse films zijn o.a. Jean Delannoy’s “Les Amitiés particulières” uit 1964, die gaat over de jonge vriendschappen, met een homoerotische ondertoon, tussen een groep van jongens die schoollopen in een strenge Franse Rooms-katholieke kostschool in de jaren 1930.

De populaire klucht “La Cage aux Folles” uit 1978, geregisseerd door Edouard Molinaro, vertelt over een homokoppel wiens levens duchtig overhoop worden gegooid wanneer de zoon van één van de mannen aankodigt dat hij gaat trouwen.

“Coup de foudre” uit 1983, geregisseerd door Diane Kurys, gaat over twee vrouwen die elkaar ontmoeten in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en die steeds een diepere band met elkaar hebben, waarbij hun mannen en kinderen volledig uitgesloten worden. André Téchniés’ “J’embrasse pas” uit 1991, focust op een jongeman die zijn thuis op het platteland verlaat, om een acteercarrière in Parijs proberen waar te maken, maar die uiteindelijk gedwongen wordt met mannen te prostitueren. De film “Les Roseaux Sauvages” uit 1994 is een bevallig sensueel verhaal dat zich afspeelt in de vroege jaren 1960.

“Les nuits fauves” uit 1992, geregisseerd door Cyril Collard, gaat over een promiscue biseksuele man (gespeeld door Collard zelf) die het hoofd moet bieden aan zijn HIV-besmetting; Collard sterft het daaropvolgende jaar aan een AIDS-gerelateerde ziekte. “Ma vie en rose” uit 1997, geregisseerd door Alain Berliner, is het verhaal van een acht-jaar oude jongen die zijn leven als meisje wil doorbrengen.

Vertel anderen over dit artikel :
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Twitter
  • E-mail this story to a friend!
  • Netvibes
  • NuJIJ
  • Technorati
Geplaatst op 11 november 2009 - 0 reacties op dit artikel.

Tags : , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Geef jouw mening

Invulvelden met een (*) zijn verplicht in te vullen.