Aversietherapie bij holebiseksualiteit

ABC

aversietherapie-bij-holebiseksualiteitAversietherapie is een vorm van gedragsaanpassing waarbij onaangename en soms pijnlijke stimuli worden gebruikt in een poging om het sociaal onaanvaardbaar of schadelijke gedrag van een patiënt af te leren. Het eerste gedocumenteerde gebruik van aversietherapie dateert uit 1930 bij de behandeling van alcoholisme, maar tegen de jaren 1950 en 1960 was aversietherapie een populaire methode om een seksuele afwijking te “genezen”, waaronder homoseksualiteit en travestie.

Psychoanalyticus Sandor Rado beschouwde holebiseksualiteit als een afwijking

Psychoanalyticus Sandor Rado beschouwde holebiseksualiteit als een afwijking

Sigmund Freud, de vader van de psychoanalyse stond in het algemeen negatief tegenover de mogelijkheid om een patiënt te genezen van holebiseksualiteit, maar in 1940 veranderde de Amerikaanse psychoanalyticus Sandor Rado deze overtuiging. Rado en zijn volgelingen zagen heteroseksualiteit als de biologische norm. Volgens hen werd holebiseksualiteit veroorzaakt door ongezonde ouderlijke relaties waardoor er angstgevoelens werden gecreëerd tegenover heteroseksualiteit. Ze waren van mening dat een zorgvuldig programma van gedragsaanpassing seksuele afwijkingen kon afleren.

Behandeling

Van de handvol methodes die psychoanalytici gebruikten om homoseksualiteit te behandelen was de aversietherapie waarschijnlijk de meest onmenselijke vorm. De behandeling bestond ondermeer uit het tonen van foto’s van aantrekkelijke mannen aan homoseksuele en biseksuele mannen. Aan sommige patiënten werd zelfs gevraagd om zelf foto’s mee te brengen. De aversietherapie bestond erin dat deze foto’s werden geprojecteerd op een scherm en tegelijkertijd kreeg de patiënt misselijkmakende stimuli toegediend. Aangenomen werd dat door seksuele opwinding te vervangen door deze stimuli de patiënt zichzelf zou bevrijden van zijn seksuele afwijking en “normale” lusten zou ontwikkelen.

In het begin werd tijdens de aversietherapie chemische middelen gebruikt. Apormofine werd het meest gebruikt. Het werd intramusculair toegediend en veroorzaakte misselijkheid en braken. Het was echter moeilijk om de effecten van het middel te timen en de patiënten ontwikkelenden vaak een natuurlijke resistentie tegen het middel. De chemische middelen werden al snel vervangen door elektrische schokken om dat deze beter konden worden gecontroleerd.

Naast homo’s werden ook fetisjisten, travestieten en transseksuelen beschouwd als goede kandidaten voor aversietherapie. Eén van de methoden om travestieten te behandelen was met een mat onder spanning. De travestiet werd blootsvoets en gekleed in kleren van het andere geslacht op de mat gezet. Daarna volgde een serie van elektrische schokken en moest de patiënt de kleren verwijderen. De schokken hielden pas op als de patiënt volledig naakt was.

De aversietherapie werd meestal twee of meermaals per dag toegepast gedurende een periode van twee weken. Men dacht dat fysieke of mentale uitputting de kans op slagen vergrootten.

De patiënten

Hoewel psychoanalytici gedragsaanpassende therapieën toepasten op zowel lesbiennes en homo’s, waren het meestal homo’s en travestieten die in aanmerking kwamen voor aversietherapie.

In de jaren 1950 en 1960 werd aversietherapie steeds meer toegepast door de justitiesystemen van Canada, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Zuid-Afrika en de Sovjet-Unie. Tezelfdertijd werden steeds meer homo’s gearresteerd. Velen van deze werden gedwongen om een vorm van therapeutische behandeling te ondergaan als deel van hun straf of als alternatief tot een gevangenisstraf of als voorwaarde om voorwaardelijk vrij te komen. Daar lesbianisme in het algemeen niet werd bestraft, kregen vrouwen minder dan mannen aversietherapie toegediend als resultaat van een arrestatie.

Genezingen

Hoewel de voorstanders van aversietherapie beweerden dat in 50% van de gevallen de patiënt genas, werd dit nooit afdoende bewezen. Vaak werden patiënten door de aversietherapie aseksueel en deze werden ook beschouwd als genezen. Vele psychiaters verwierpen aversietherapie, niet uit ethische bezorgdheid voor hun patiënt, maar omdat ze dachten dat deze therapie geen effect had. Tevens was er bewijs dat homo’s die aversietherapie kregen, leden aan ernstige langdurige psychologische effecten, waaronder depressie, wanhoop en zelfmoordpogingen.

Aversietherapie en de holebi-bevrijding

Toen het holebi-bevrijdingsfront demonstreerde tegen de Amerikaanse Psychiatrische Vereniging in 1970, verstoorden ze een sessie met aversietherapie. Aversietherapie was berucht geworden als een psychiatrische mishandeling van homo’s en lesbiennes.

Deze radicale holebi-activisten werden gesteund door een kleine groep psychiaters die het erover eens waren dat homofobie het probleem was dat moest opgelost worden, niet de homoseksualiteit. Uiteindelijk werd in 1973 holebiseksualiteit verwijderd uit het handboek van de Amerikaanse Psychiatrische Vereniging.

De verwijdering van holebiseksualiteit uit dit handboek betekende echter niet dat er een einde kwam aan het gebruik van psychiatrie om afwijkend seksueel gedrag te controleren noch stopte met het gebruik van aversietherapie. Hoewel aversietherapie niet meer wordt goedgekeurd als een behandeling voor holebiseksualiteit, blijven enkele psychotherapeuten aversietherapie gebruiken, vooral dan bij de behandeling van pedofielen en andere seksovertreders.

Vertel anderen over dit artikel :
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Twitter
  • E-mail this story to a friend!
  • Netvibes
  • NuJIJ
  • Technorati

Geef jouw mening

Invulvelden met een (*) zijn verplicht in te vullen.